Nood aan een IPA voor koopkracht én competitiviteit

In een opiniebijdrage in De Standaard van 23/01 (Hoezo, de lonen zijn te hoog?) worden dermate veel feitelijke onjuistheden op een hoopje gegooid dat een reactie zich opdringt.

Geschreven door Edward Roosens, COMPETENTIECENTRUM ECONOMIE & CONJUNCTUUR
24 januari 2019

Laat ons beginnen met de feiten: in 2017 lagen de loonkosten per gewerkt uur in België 12,6% hoger dan gemiddeld in onze drie belangrijkste buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland (zie CRB, Verslag over de Loonkostenhandicap, p. 2, Tabel 1-1). Om het concreet te maken: in de Belgische privésector kostte een arbeidsuur van een werknemer gemiddeld 35,5 euro. In de drie buurlanden was dit gemiddeld 31,5 euro. Een kloof dus van 4 euro per gewerkt uur of van gemiddeld ruim 600 euro per maand of ruim 7.000 euro per jaar per werknemer.

Om tot deze cijfers over de absolute loonkostenhandicap te komen is zowel in België als in de drie buurlanden rekening gehouden met alle mogelijke lastenverlagingen en fiscale subsidies (zie CRB, Verslag over de Loonkostenhandicap, p. 2, §3). Dit dus in tegenstelling tot wat de heer Somers verkeerdelijk beweert in zijn opiniebijdrage. Zonder deze lastenverlagingen en fiscale subsidies zou onze absolute loonkostenhandicap vandaag nog altijd rond 20% liggen.

Deze cijfers over de absolute loonkostenhandicap (12,6%) geven een uiterst precies beeld over de uitdaging waar de Belgische bedrijven elke dag voor staan: uiterst innovatief en efficiënt zijn, zowel inzake product als productieprocessen om de kostenhandicap te overwinnen en hun marktaandeel op binnen- en buitenlandse markten minstens te behouden. Dit betekent dat zij zeer veel uitgeven aan Onderzoek & Ontwikkeling om tot nieuwe producten en verkoopskanalen te komen, maar ook dat zij veel investeren in de meest performante machines om per (dure) werknemer zoveel mogelijk te kunnen produceren. Dit zijn  ‘do-or-die’-investeringen. Die moeten echter ook worden gefinancierd en terugbetaald en wegen dus ook op de rendabiliteit.

Die extreme investeringen in arbeidsbesparende machineparken hebben er door de jaren heen ook toe geleid dat Belgische werknemers ‘productiever’ zijn, want beschikkend over het modernste en meest performante machinepark in de wereld. Daarnaast hebben die investeringen er ook voor gezorgd dat eenvoudige taken vaak zijn geautomatiseerd, wat heeft geleid tot minder arbeidsmarktkansen voor de laagst geschoolden. Dit is dé oorzaak van onze lage werkgelegenheidsgraad. Maar puur statistisch zorgt dit er ook voor dat onze ‘gemiddelde’ arbeidsproductiviteit relatief hoog ligt. De minst productieven komen op de Belgische arbeidsmarkt immers minder in de cijfers voor dan in Nederland of Duitsland. De hoge Belgische arbeidsproductiviteit is dus eerder een gevolg van de te hoge loonkostenniveaus. Op al deze problemen met de meting van de gemiddelde nominale arbeidsproductiviteit heeft de CRB in zijn verslag ook uitgebreid gewezen (zie CRB, Verslag over de Loonkostenhandicap, p. 6), maar deze elementen zijn wellicht aan de aandacht van de heer Somers ontsnapt. Slotsom is dus dat er ook gecorrigeerd voor het echte productiviteitsvoordeel nog steeds een aanzienlijke handicap bestaat inzake loonkosten per eenheid product van meer dan 7%.

Is er in de voorbije jaren verbetering opgetreden inzake die absolute loonkostenhandicap? Jazeker. Door de indexsprong, de taxshift en de gematigde ontwikkeling van de reële lonen die door de sociale partners in 2015-2016 (oude wet) en 2017-2018 (nieuwe wet) werden overeengekomen, is die absolute handicap inderdaad gedaald van ongeveer 16,9% in 2013 tot 12,6% in 2017 en ook in 2018 kan nog een lichte verdere verbetering worden verwacht tot ongeveer 11,5%.

En dit heeft ook ontegensprekelijk positieve effecten gehad. De jarenlange trendmatige daling van onze marktaandelen op de buitenlandse markten is tot stilstand gebracht en licht omgebogen. Hetzelfde geldt voor de jarenlange trendmatige daling van de werkgelegenheid in onze maakindustrie. En ook de directe buitenlandse investeringen keren stilaan terug naar hun peil van vóór de loonkostenontsporing van 2007-2008 (zie Ineos). Het finale en belangrijkste resultaat van dit alles is dat de werkgelegenheidsgroei in de privésector vandaag veel hoger ligt dan je vroeger kon verwachten bij groeicijfers van ongeveer 1,5%. Vroeger had je daarbij kunnen rekenen op ongeveer +0,7% werkgelegenheidsgroei per jaar in de privésector (+23.000 jobs), in de voorbije 3 jaar (Q3 2015-Q3 2018) zitten we aan een jaarlijkse stijging met 1,4% (+46.000 jobs). En dit heeft uiteraard ook positieve implicaties op de koopkracht want een job levert beduidend meer koopkracht op dan een werkloosheidsuitkering.

Is het werk daarmee af? Zeer zeker niet. De loonkosten in het Belgische bedrijfsleven liggen nog altijd ruim 10% hoger dan in onze drie meest nabije buurlanden, waar de heer Somers in zijn opiniebijdrage systematisch naar verwijst als ‘vreemde landen’, alsof dit verre, niet ter zake doende handelspartners zijn. Het tegendeel is waar. Met deze landen zijn wij het meest verstrengeld en hier situeren zich onze belangrijkste concurrenten, maar meer en meer bedrijven moeten concurreren met steeds beter uitgeruste Zuid-Europese, Oost-Europese, Turkse of Aziatische bedrijven, waar de loonkosten minder dan de helft van de Belgische bedragen. Daar wordt in deze absolute loonkostenhandicap zelfs geen rekening mee gehouden …

Het enige waarop de Belgische bedrijven hopen is dat die absolute loonkostenhandicap ten opzichte van de 3 meest nabije buurlanden Duitsland, Nederland en Frankrijk in de komende jaren nog verder zal kunnen afnemen zodat zij meer met gelijke wapens kunnen strijden met hun buitenlandse concurrenten en meer werkgelegenheid kunnen creëren.

Om daarin enige vooruitgang te boeken, heeft de regering in zijn nieuwe Wet van 22 maart 2017 terecht beslist dat de sociale partners bij hun tweejaarlijks loonoverleg de lastenverlagingen van de taxshift die bedoeld zijn om de loonkosten te verlagen en nieuwe jobs te creëren, niet mogen aanwenden om opnieuw de brutolonen te gaan verhogen. De vakbonden verwijzen hier graag naar als “sjoemelsoftware”, maar dit is perfect te verdedigen in functie van de doelstelling: extra jobs, jobs, jobs …

En om de klassieke ontsporingen uit het verleden te voorkomen die samenhangen met een systeem van automatische loonindexering, is er inderdaad ook beslist om een veiligheidsmarge van 0,5% voor voorspellingsfouten te nemen (waarvan het niet-benodigde deel achteraf wordt teruggegeven), en de resterende “relatieve” handicap t.o.v. 1996 van de marge af te trekken (vroeger “kon” dit afgetrokken worden, nu “moet” dit afgetrokken worden). Daar zegt men aan vakbondszijde maar weinig over, maar de reden dat er eind 2018 nog altijd een handicap is t.o.v. 1996 is dat de loonstijgingen in België in 2016 wat genereuzer zijn uitgevallen dan eerst gedacht.

De mechanismen die de nieuwe wet bevat, zijn dus noodzakelijk om de klassieke ontsporingen uit het verleden zoveel mogelijk te voorkomen en te vermijden dat vakbonden druk zouden zetten om lastenverlagingen te misbruiken voor bijkomende brutoloonstijgingen. Kortom, de nieuwe wet laat perfect toe om koopkrachtverhoging voor de werknemers (bovenop de verwachte 3,8% indexering) te verzoenen met een verbetering van het concurrentievermogen voor de Belgische bedrijven. Maar dan moet er rond de tafel worden gezeten in plaats van worden gestaakt.

Een verkorte versie van deze opinie verscheen op 24 januari in De Standaard.


Onze partners

Actiedomeinen

Een gezond ondernemingsklimaat is essentieel voor een gezonde economie en duurzame groei in België. Als VBO nemen we de verantwoordelijkheid om de motor van onze welvaartsstaat op kruissnelheid te houden. Om dat te bereiken, focussen we op 18 actiedomeinen die bijdragen tot een duurzame groei.

VBO-NIEUWSBRIEF IMPACT

Schrijf u nu in en ontvang wekelijks de laatste artikelen direct in uw mailbox.