OESO-studie over productiviteit: interessante aanbevelingen voor nieuwe regering

Vandaag stelde minister van Werk Wouter Beke in aanwezigheid van secretaris-generaal José Ángel Gurría de OESO-studie over productiviteit voor. Zo blijkt dat ons land nog steeds een van de meest productieve economieën ter wereld is (4de plaats na Ierland, Luxemburg en Noorwegen), hoewel de groei van onze arbeidsproductiviteit  al twee decennia onder het OESO-gemiddelde ligt. Pieter Timmermans, gedelegeerd bestuurder van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) reageert: “Het potentieel van ons land is nog steeds groot. Om dat ‘potentieel’ te benutten, zijn diepgaande sociaaleconomische hervormingen nodig.”

Pers, COMMUNICATION & EVENTS
08 juli 2019

Vanuit macro-economisch oogpunt is de groei van de arbeidsproductiviteit gelijk aan de verhouding tussen de reële bbp-groei en de werkgelegenheidsgroei. Een stijging van de arbeidsproductiviteit die spontaan tot stand komt omwille van een relatief sterke economische groei (met een behoorlijke werkgelegenheidsgroei) is uiteraard een goede zaak. Een stijging van de arbeidsproductiviteit die tot stand komt door een zwakke bbp-groei bij een daling van de werkgelegenheid, is echter problematisch en kan je bezwaarlijk een inclusief groeipad noemen.

Er moet in dit specifieke geval met andere woorden goed worden nagegaan of de uitgesproken vertraging van de productiviteitsgroei in België de voorbije decennia te wijten was aan structureel ongunstige elementen (zoals te weinig investeringen of een stroeve arbeidsmarkt), dan wel of ze toe te schrijven was aan maatregelen die de reguliere jobcreatie in de privésector hebben aangezwengeld en zo de arbeidsintensiteit van de economische groei hebben aangewakkerd (en dus de groei van de arbeidsproductiviteit hebben vertraagd).

De OESO legt die laatste mogelijkheid nogal makkelijk naast zich neer vanuit de vaststelling dat de werkgelegenheidsgraad bij laaggeschoolden relatief laag is gebleven. Nochtans werden er in de voorbije decennia heel wat maatregelen getroffen die significante  jobcreatie in de reguliere sector opleverden (dienstencheques sinds 2004, structurele lastenverlagingen in 2000-2013, witte kassa in de horeca sinds 2014, indexsprong in 2015, taxshift in 2016-2020). Een deel van onze relatief tragere productiviteitsgroei moet dan ook van daaruit worden verklaard en kan zeker niet als negatief worden geduid aangezien die maatregelen hebben bijgedragen tot een fikse toename van de werkgelegenheidsgraad van 65 tot 70%. Daarnaast zijn er ongetwijfeld ook echt structurele elementen die de (micro-economische) productiviteitsgroei in ons land afremmen.

Om daaraan te verhelpen moet het sociaaleconomisch hervormingsbeleid worden voortgezet en geïntensiveerd. De OESO schuift daartoe een actieplan met 7 punten naar voor. Hieronder een greep daaruit:

- In de handel zijn er inderdaad zeker nog versoepelingen van regelgeving mogelijk, bijvoorbeeld inzake openingsuren, solden of de mogelijkheid om personen tewerk te stellen in de avonduren (cruciaal in het kader van e-commerce).

- Het VBO steunt de OESO-aanbeveling om meer in te zetten op levenslang leren. Werkgevers investeren echter al veel in een gedegen opleidingsaanbod, maar met een participatiegraad van slechts 8,6% liggen de inspanningen van de Belgische bevolking nog te laag. Een permanente leercultuur ontbreekt. Iedereen op actieve arbeidsleeftijd moet zelf ook meer het stuur van hun loopbaan in handen nemen en een individuele leerrekening kan daarbij helpen.

- De OESO stuurt aan op meer decentraal loonoverleg en meer vrijheid van loononderhandelingen. In een land waar vandaag al heel wat automatismen in de loonvorming bestaan (automatische loonindexering én baremieke verhogingen), is een zekere normering van de resterende loonmarge echter noodzakelijk. Zonder automatische loonindexering of barema’s zou dat een ander verhaal zijn.

- De OESO pleit voor meer publieke investeringen. Het VBO is een van de voortrekkers van het ‘Nationaal Pact voor Strategische Investeringen’, dat cruciaal is om de economische groei aan te zwengelen. In 2011-2015 beliepen de publieke investeringen in vaste activa in België slechts 2,4% van het bbp, 0,6 procentpunt-bbp minder dan gemiddeld in onze 3 buurlanden. Dat is ook slechts de helft van wat in de periode 1970-1983 geïnvesteerd werd. Er wordt, om het met een boutade te zeggen, nog maar net genoeg geïnvesteerd om de gaten en putten in onze wegen te vullen. Meer publieke productieve investeringen inzake digitalisering, energie en mobiliteit zijn wat ons betreft dan ook cruciaal.

“Wie pleit voor vrije loononderhandelingen, moet ook durven pleiten voor een afschaffing van de gezondheidsindex en automatische baremieke verhogingen. Zo niet, blijft de huidige loonnormwet een noodzakelijk tegengewicht, die een evenwicht garandeert tussen de competitiviteit van onze ondernemingen en de koopkracht van onze werknemers. Dat evenwicht moet bij elke hervorming gevrijwaard blijven. Deze en andere aanbevelingen vormen zeker en vast interessante input voor de regeringsformatie op verschillende niveaus,” besluit Pieter Timmermans.


Onze partners

Actiedomeinen

Een gezond ondernemingsklimaat is essentieel voor een gezonde economie en duurzame groei in België. Als VBO nemen we de verantwoordelijkheid om de motor van onze welvaartsstaat op kruissnelheid te houden. Om dat te bereiken, focussen we op 18 actiedomeinen die bijdragen tot een duurzame groei.

VBO-NIEUWSBRIEF IMPACT

Schrijf u nu in en ontvang wekelijks de laatste artikelen direct in uw mailbox.