Tijdelijke werkloosheid omwille van COVID-19-overmacht: 7,3% van de werkenden in de privésector in januari

Op 18 maart 2020 werd beslist om het regime ‘tijdelijke werkloosheid wegens overmacht’ te verruimen tot een regime van ‘tijdelijke werkloosheid wegens COVID-19-overmacht’. Die versoepeling bood ademruimte aan heel wat bedrijven die hun activiteiten niet normaal konden voortzetten.


Anouar Boukamel, COMPETENTIECENTRUM ECONOMIE & CONJUNCTUUR
23 februari 2021

Tijdens het hoogtepunt van de crisis, namelijk de eerste week van april, werd dat instrument uitzonderlijk veel gebruikt: 950.000 personen, of 30% van de loonarbeid in de privésector, zaten in dat stelsel van tijdelijke werkloosheid. Dat illustreert duidelijk hoe rampzalig de situatie toen was.


Daarna maakten we een duidelijke verbetering van de situatie mee in vier fases, die telkens samenvielen met belangrijke stappen in de versoepeling van de lockdown1. Zo verminderde het gebruik van de tijdelijke werkloosheid stelselmatig, tot het begin oktober een minimum bereikte van nog steeds 109.000 personen (of 3,4% van de loonarbeid in de privésector).

In het licht van een tweede golf van COVID-besmettingen en hospitalisaties volgde vanaf 19 oktober echter een 2de lockdown, waarbij o.a. de fysieke horecazaken werden gesloten. Sinds 19 oktober kan daar nog enkel via afhaalsystemen gewerkt worden. Daardoor steeg het percentage verloren werkdagen door tijdelijke werkloosheid in de horeca opnieuw fors van 15% in september tot 45% in november. Na een iets minder slechte maand december omwille van de maaltijdbestellingen rond de feestdagen (39,6%), is dit in januari echter opnieuw gestegen naar 47,5%. We blijven daarmee nog wel onder het niveau dat we bereikten tijdens de vorige verplichte sluiting van de sector in april (63,2%) en in mei (69,2%), wellicht omdat het elektronisch bestellen en afhalen van maaltijden bij restaurants intussen wat meer ingeburgerd is geraakt.

Daarna, vanaf 2 november, moesten ook de niet-medische contactberoepen, bepaalde ‘niet-essentiële’ winkels en cultuurhuizen en feestzalen opnieuw de deuren sluiten. Dat deed de cijfers opnieuw stijgen, tot 317.000 personen (bijna 10% van de loonarbeid) midden november. Door de lichte versoepeling van de lockdown begin december (vooral in de handel, zie verder) daalde dit cijfer vervolgens tot ongeveer 200.000 personen in december (6%), waarna het in januari echter opnieuw steeg tot 230.000 personen of 7,3% van de loonarbeid in januari. Dat blijft dus meer dan het dubbele dan we konden waarnemen vlak vóór de 2e lockdown. De huidige stijging is gelukkig wel aanzienlijk beperkter dan de abrupte piek van april.

In tegenstelling tot de eerste lockdown, gaf de verstrenging van de gezondheidsmaatregelen geen aanleiding tot een periode waarin de productie- of bouwbedrijven niet zeker waren of ze al dan niet deel uitmaakten van een essentiële sector, welke maatregelen ingevoerd moesten worden enz. Die ondernemingen pasten zich goed aan en weten intussen hoe ze de veiligheid van de werknemers kunnen verzekeren terwijl de activiteiten blijven doorgaan. De situatie in de autoassemblage en bouw is daar een goed voorbeeld van. Die sectoren werden eerst sterk geraakt in maart en april, maar in mei verbeterde de situatie aanzienlijk, eens de productieprocessen en de organisatie van de werven waren aangepast.

De kleinhandel werd tijdens de tweede lockdown vanaf 2 november iets minder hard getroffen dan in april (25% verloren werkdagen door tijdelijke werkloosheid in november t.o.v. 54,8% in april), omdat de scope van de verplichte sluiting iets minder breed was (doe-het-zelfwinkels en tuincentra mochten openblijven) en ‘click & collect’-systemen wat meer werden gebruikt. Bovendien werd de verplichte sluiting van de ‘niet-essentiële’ winkels al op 2 december opnieuw opgeheven, waarna de tijdelijke werkloosheid in de handel terugviel tot ongeveer 5%.

We mogen niet vergeten dat achter het globale cijfer van 4,9% verloren werkdagen in januari, dat minder hoog ligt dan op het ergste moment van de crisis, nog grote sectorale verschillen schuilgaan. Binnen de meest getroffen sectoren (luchtvaart, horeca, cultuur, evenementensector, reisbureaus), bedroeg de tijdelijke werkloosheid in januari nog bijna 43%, tegenover 4% voor de andere ondernemingen in de privésector. De zwaarst getroffen sectoren blijven de luchtvaart (62%), de horeca (47%) en de reisbureaus (bijna 40%), maar dat is ook het geval voor de industriële sectoren, zoals de fabrikanten van transportmiddelen2 (19%) en textiel (10%). Een ingewikkelde situatie dus voor heel wat bedrijven waarvoor de problemen zich opstapelen. We moeten er dus over waken dat de ondersteuning via de soepelere overmachtsvoorwaarde niet te snel wordt opgeheven.

> Tijdelijke werkloosheidsdagen in % van potentieel totaal aantal werkdagen van de loontrekkenden per sector

1. Zie kaders in grafiek 1.
2. Productie van onderdelen voor de luchtvaart, bussen enz.

Onze partners

Actiedomeinen

Een gezond ondernemingsklimaat is essentieel voor een gezonde economie en duurzame groei in België. Als VBO nemen we de verantwoordelijkheid om de motor van onze welvaartsstaat op kruissnelheid te houden. Om dat te bereiken, focussen we op 18 actiedomeinen die bijdragen tot een duurzame groei.


VBO-NIEUWSBRIEVEN

Schrijf u nu in en ontvang wekelijks de laatste artikelen direct in uw mailbox.