Vorige maand keurden de regionale overheden een jaarlijkse heffing (‘zwerfvuilfactuur’) van liefst 102 miljoen euro voor producenten en handelaars die bepaalde verpakkingen op de markt brengen (voorlopig) goed. Hoewel bedoeld om zwerfvuil te bestrijden, legt die belasting een onevenredig zware last op producenten, terwijl de rol van overheid en consument onderbelicht blijft. Bovendien ligt het bedrag tot vier keer hoger dan in de buurlanden, wat de concurrentiepositie van Belgische bedrijven onder druk zet en grensoverschrijdende aankopen stimuleert.
Een doeltreffend beleid tegen zwerfvuil steunt op het principe van gedeelde verantwoordelijkheid tussen overheid, producenten én consumenten. Volgens de Europese Single Use Plastics-richtlijn (SUP) dragen producenten alleen bij aan de noodzakelijke kosten voor inzameling en opruiming, terwijl handhaving en controle een taak van de overheid zijn. Daarnaast hebben consumenten een fundamentele verantwoordelijkheid om geen afval op straat te gooien.
Huidig voorstel niet evenredig
In het huidige Belgische voorstel wordt die taakverdeling echter scheefgetrokken. Producenten worden niet alleen belast met alle kosten, inclusief handhaving, maar ook verantwoordelijk gehouden voor het beheer van de openbare netheid, zonder dat daar een controlemechanisme tegenover staat. Dat leidt tot een directe taks met een grote financiële impact op producenten, terwijl de effectieve verbetering op het terrein op het vlak van efficiëntie en effectiviteit onduidelijk blijft.
Daarnaast ligt de factuur – met 102 miljoen euro per jaar – tot vier keer hoger dan wat producenten in buurlanden betalen. Dat verhoogt de kosten voor Belgische bedrijven aanzienlijk, waardoor hun concurrentiepositie verzwakt en consumenten hun aankopen vaker over de grens doen. Die situatie verstoort de Europese interne markt en werkt de doelstellingen rond eerlijke concurrentie en duurzaamheid tegen.
Geen uniforme interregionale aanpak
Een bijkomend probleem is de manier waarop het bedrag wordt berekend. De drie gewesten gebruiken verschillende methodes, wat leidt tot grote ongelijkheden en een gebrek aan transparantie en rentabiliteit. Zonder een uniforme aanpak en heldere criteria ontbreekt het aan geloofwaardigheid en evenredigheid, waardoor producenten terecht de rechtvaardigheid van de heffing betwisten.
Het is dan ook hoog tijd om het systeem grondig te hervormen. Een heldere Europese benchmark en regelmatige bijsturing van de bedragen zijn onmisbaar. Alleen zo kunnen we zorgen voor een rechtvaardig, transparant en efficiënt instrument dat zwerfvuil effectief aanpakt en tegelijk de economische vitaliteit van onze ondernemingen beschermt.
Als kers op de taart besloten de drie gewesten om de belasting te heffen op producten die in 2025 op de markt zijn gebracht, producten die bijna allemaal verkocht werden zonder dat de producenten en handelaars rekening konden houden met de impact van de belasting. Voor de ondernemingen is die feitelijke terugwerkende kracht onaanvaardbaar en zal die de nu al zeer moeilijke economische situatie in de betrokken sectoren alleen maar verslechteren.
Zwerfvuil aanpakken vraagt om een samenwerking tussen overheid, producenten en consumenten. In het huidige voorstel is die balans volledig zoek. Op een moment dat Europa en België de competitiviteit van de bedrijven willen versterken, is het invoeren van deze heffing – die tot vier keer hoger ligt dan in onze buurlanden – onbegrijpelijk.
Lees meer artikels over:

