Nieuws • 04 juli 2025

Politiek akkoord meerwaardebelasting: dit mag u verwachten

De meerwaardebelasting is een van de meest symbolische maatregelen van de Arizona-regering. Terecht, want die nieuwe belasting komt boven op een fiscaal arsenaal dat al zwaar en complex is. Die belasting leidt al sinds jaar en dag tot gepolariseerde standpunten.

In dit stadium is het zaak om nieuwe regels in te voeren die zowel juridisch als operationeel haalbaar zijn, de negatieve economische gevolgen daarbij zoveel mogelijk te beperken en uiteindelijk het verwachte budgettaire rendement te garanderen.

Het VBO vindt het natuurlijk belangrijk om investeringen en ondernemerschap in ons land niet te ontmoedigen en blijft dus bijzonder alert voor de invoering van deze belasting.

Een overzicht

Complex fiscaal kader

Vandaag worden kapitaalinkomsten in de regel belast via een roerende voorheffing waarvan de aanslagvoet 30% bedraagt. Het gaat meer bepaald over:

  • intresten, dat wil zeggen de inkomsten van leningen en schuldvorderingen,
  • dividenden, dat wil zeggen elke vorm van distributie door een vennootschap aan haar aandeelhouders,
  • maar ook sommige meerwaarden op beleggingen in schuldvorderingen die worden behandeld als intresten waarop een roerende voorheffing van 30% van toepassing is (‘Reynderstaks’).

Naast de inkomstenbelastingen kent België een rist belastingen op beleggingsproducten waarvan de belastbare basis vaak losstaat van de gerealiseerde inkomsten. Afhankelijk van het geval gaat het over de taks bij aankoop en/of verkoop, zoals de beurstaks (van 0,12% tot 1,32%) of de taks op verzekeringspremies (2%), maar net zo goed over de taks op de effectenrekening (0,15%) die jaarlijks wordt ingehouden op de totale waarde van de effectenrekening boven het miljoen euro.

Het is ook zo dat het Belgische fiscaal recht niet voorziet in enige vorm van automatische compensatie van de inflatie. Dat betekent bijvoorbeeld dat bij een inflatie van 3%, de belasting van die 3% de facto leidt tot een belastingheffing op onbestaande reële inkomsten, waardoor het reële rendement voor de investeerder negatief wordt.

Invoering van een nieuwe belasting: een heel delicate oefening

Het regeerakkoord voorziet in de invoering van een ‘solidariteitsbijdrage’ van 10% op de meerwaarden. Los van de woorden, gaat het wel degelijk om een nieuwe belasting. De regering werkt nu aan de redactie van de wetsontwerpen die dat akkoord in de praktijk omzetten. 

Uit de besprekingen en gevoeligheden binnen de meerderheid blijkt duidelijk dat de invoering van een nieuwe belasting geen sinecure is in een al bijzonder zware fiscale context.

In tegenstelling tot dividenden en intresten die hoofdzakelijk betrekking hebben op een distributie van inkomsten op een gegeven moment door een schuldenaar, heeft een meerwaarde diverse kenmerken die haar op zich bijzonder complex maken. De definitie van een meerwaarde veronderstelt een opvolging in de tijd, soms een ver vervlogen tijd. In de praktijk is het waardeverschil tussen aankoop en overdracht trouwens niet noodzakelijk positief. In vele gevallen zal dat negatief zijn, wat betekent dat de investeerder een minderwaarde realiseert.

In de onderstaande paragrafen vatten we de kern van de nieuwe belasting samen. 

Welke producten / personen worden getroffen?

De nieuwe meerwaardebelasting is een toevoeging in de personenbelasting die bijgevolg zal worden betaald door natuurlijke personen. De geviseerde belastingplichtigen zijn dus niet in de eerste plaats de ondernemingen, maar wel de ondernemers en investeerders die aandelen van ondernemingen bezitten.

Laat ons meteen duidelijk stellen dat de nieuwe belasting over veel meer gaat dan enkel aandelen van vennootschappen. De wetgever voorziet namelijk in een heel ruim toepassingsgebied om de achterpoortjes te sluiten. De belastbare elementen worden ingedeeld in 4 categorieën:

  • Financiële instrumenten: de klassieke instrumenten, zoals aandelen en obligaties, maar ook alle roerende titels en waarden, inclusief derivateninstrumenten en -contracten en de rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging.
  • Verzekeringscontracten: waarvan de takken 21 (spaarverzekering) en 23 (beleggingsverzekering) het best gekend zijn.
  • Cryptoactiva: zowel cryptogeld als andere digitale vormen van een waarde of een recht.
  • Valuta: omvat ook beleggingsgoud, hoewel het niet de bedoeling is zich op betaalmiddelen als zodanig te richten.

Sommige specifieke producten waarvoor al een bijzonder fiscaal stelsel geldt, zouden gelukkig niet in het vizier van de nieuwe belasting komen. Het gaat met name over de tweede (groepsverzekeringen) en de derde (pensioensparen) aanvullende pensioenpijlers. Die uitsluitingen lijken logisch, rekening houdend met de specifieke doelstellingen van de wetgever ter zake.

Twee onderscheiden regimes

Het regeerakkoord maakt een onderscheid tussen twee regimes.

1. Het algemene regime: een aanslagvoet van 10%, toegepast op elk bedrag boven de vrijstelling van 10.000 euro. Het gaat om een jaarlijkse vrijstelling die wordt verhoogd met 1.000 euro voor elk van de van de vijf voorgaande jaren waarin de vrijstelling niet (volledig) werd gebruikt. Realiseer je bijvoorbeeld een (grote) uitzonderlijke meerwaarde, dan kan de vrijstelling dus tot 15.000 euro bedragen; maar wanneer je elk jaar meerwaarden realiseert zal je telkens maar 10.000 euro kunnen vrijstellen.

2. Het regime van de ‘aanmerkelijke belangen’: bij deelneming van meer dan 20% zijn de meerwaarden tot een miljoen vrijgesteld, waarna een progressieve aanslagvoet van 1,25% tot 10% wordt toegepast tot aan het bedrag van tien miljoen euro. Alles boven de tien miljoen euro wordt met andere woorden belast aan het gewone tarief van 10%. Deze vrijstelling kan elke vijf jaar één keer gebruikt worden.

Eenvoudig gesteld kan het bovenstaande worden samengevat door te spreken van een ‘investeerdersregime’ voor kleine participaties (< 20%) en een ‘ondernemersregime’ gericht op familiebedrijven en aandeelhouders die – per hypothese – een grotere participatie hebben (> 20%). Los van die achterliggende doelstelling van de regering, blijft het enige wettelijke criterium de 20%. Niets belet investeerders met een grote participatie dus om te genieten van de ruimere vrijstelling.

De participatiegraad van 20% zal bovendien op individueel niveau worden beoordeeld, wat voor problemen kan zorgen in bepaalde familiebedrijven waarin bijvoorbeeld de kinderen een participatie hebben die kleiner is dan 20%. In dat geval zullen zij onder het klassieke regime vallen en dus maar een vrijstelling hebben van 10.000 euro in plaats van de vrijstelling van 1.000.000 euro en het opklimmend tarief tot 10.000.000 euro te genieten.

Er is ook nog een derde regime dat van toepassing is op de zogeheten interne meerwaarden, met name de overdracht (verkoop of inbreng) van aandelen aan een holding van dezelfde aandeelhouder. Die fiscale constructies zijn vrij gebruikelijk. In dat geval geldt het ‘speculatieve’ regime met een aanslagvoet van 33% die vandaag al van toepassing is op verrichtingen buiten het ‘normale beheer’.

Waardering

De waardering is een essentieel element om het verschil te kunnen maken tussen de waarde bij aankoop en bij overdracht en in voorkomend geval het bestaan en de omvang van de belastbare meerwaarde te bepalen.

Daar waar de situatie voor beursgenoteerde producten vrij eenvoudig is omdat de koersevolutie gekend is, geldt dat niet voor niet-beursgenoteerde producten. Het akkoord voorziet in specifieke maar complexe en soms arbitraire regels inzake waardering en fall-back. Het is een bijzonder moeilijk te implementeren punt in een context waarin de systematische waardering van alle producten vandaag niet is voorzien. Dat punt kan ook aanleiding geven tot eindeloze discussies met de fiscus en dat lijkt voor niemand goed.

Om niet terug te grijpen naar het verleden en rekening houdend met de toepassing van de regels vanaf 2026, wordt op 31 december 2025 een ‘foto’ gemaakt met waardering van de belastbare producten. Wanneer de oorspronkelijke aankoopprijs hoger was dan de waarde op die datum mag voor de meerwaarde uitgegaan worden van die oorspronkelijke aankoopprijs op voorwaarde dat de meerwaarde gerealiseerd wordt voor 31 december 2030. Een aandeel voor 100 euro gekocht in 2024, dat op 31/12/2025 nog slechts 60 euro waard is en ten laatste in 2030 opnieuw verkocht wordt aan de oorspronkelijke prijs van 100 euro zal met andere woorden niet belast worden. Vindt die realisatie plaats vanaf 2031, dan wordt men belast op een fictieve meerwaarde van 40 euro.

Tal van bijkomende modaliteiten verdienen opheldering

Tal van toepassingsmodaliteiten moeten nog worden georganiseerd opdat die nieuwe belasting zou werken. Terwijl de grote principes in de wet zullen staan, is het belangrijk om een reeks praktische aspecten te helderen.

We denken daarbij in het bijzonder aan:

  • Aftrek van minderwaarden en kosten. De wetgever gaat voor ‘eenvoud’ door slechts één zeer beperkte vorm van aftrek te aanvaarden. Enkel daadwerkelijk gerealiseerde minderwaarden in hetzelfde inkomstenjaar zouden van de gerealiseerde meerwaarden mogen worden afgetrokken. Met andere woorden, de aftrek van elke andere, vroegere of latere, minderwaarde, aankoop- of bewaarkost en elke willekeurige taks wordt niet aanvaard.
  • Bronheffing. Voor instrumenten via Belgische financiële tussenpersonen wordt een nieuwe bronheffing ingevoerd. Terwijl die bronheffing het leven van investeerders moet ‘vereenvoudigen’ en sneller inkomsten naar de staatskas moet doen vloeien, moet worden aangestipt dat de invoering op heel korte termijn van een dergelijke heffing extreem zwaar en complex is voor die financiële tussenpersonen. Het is fundamenteel om duidelijke en haalbare regels, alsook redelijke uitvoeringstermijnen te voorzien, die iedereen rechtszekerheid bieden. Wanneer dergelijke regels enkel aan Belgische tussenpersonen en niet aan buitenlandse tussenpersonen worden opgelegd, ontstaat er bovendien concurrentieverstoring. Die verstoring wordt versterkt doordat de financiële instellingen geen rekening kunnen/mogen houden met de mogelijke vrijstelling van de belastingplichtigen en dus steevast 10% moeten inhouden op de totale gerealiseerde meerwaarde.  Alles moet in het werk gesteld worden om de verplaatsing van portefeuilles te voorkomen waarmee de voorfinanciering van de belasting gedurende ongeveer twee jaar kan worden voorkomen. Er zou voor belastingplichtigen voorzien worden in een mogelijkheid tot ‘opt-out’ van de roerende voorheffing, maar de invulling en draagwijdte daarvan zijn op dit moment nog niet duidelijk. Die optie zal bovendien gepaard gaan met een nieuwe informatieverstrekking aan de fiscus.
  • Transparantie en controle. Om de voetvrijstelling van 10.000 euro te ‘recupereren’ of minderwaarden af te trekken, moet de belastingplichtige aangifte doen en de vereiste bewijzen voorleggen. Op die manier wordt het ‘bevrijdende’ karakter van de bronheffing en de discretie ten aanzien van het vermogen een steeds grotere illusie.
  • Exittaks. Om te vermijden dat belastingplichtigen de taks ontwijken door hun meerwaarden te realiseren in het buitenland, voorziet de nieuwe regeling in een specifieke exittaks. Hoewel men via onder andere een automatisch uitstel van betaling tegemoet is proberen te komen aan de (zeer) scherpe randen van een dergelijke exittaks, kan ook dit element in bepaalde gevallen leiden tot vervelende situaties.
  • En last but not least: de koppeling van het behoud van de belasting op de beveks aan de nieuwe belasting, die de belastingheffing van bepaalde verrichtingen volgens twee onderscheiden regimes impliceert. Dat zal tot bijzonder complexe situaties leiden, in het bijzonder voor financiële tussenpersonen.
Het voorgaande geeft u een beeld van de situatie, onder voorbehoud van eventuele finale politieke arbitrages en de concrete vertaling van het akkoord in wettekst.

We nodigen u uit om de wet zoals die waarschijnlijk binnen enkele maanden in het Belgisch Staatsblad zal worden gepubliceerd, als brontekst te gebruiken. Rekening houdend met het vanaf 2026 verwachte budgettaire rendement, de uitdagingen voor de waardering van de beoogde producten en de operationele implicaties voor de financiële tussenpersonen, moeten de definitieve krijtlijnen van die nieuwe belasting zeer snel worden vastgelegd.

Tegelijkertijd merken we op dat de regeling mogelijk nog zal moeten worden bijgestuurd. Dat zal gebeuren voor de goedkeuring van de wet, in functie van het advies van de Raad van State, of daarna, in functie van een uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

Het VBO volgt de verdere ontwikkeling op de voet en zal zoveel mogelijk pleiten voor de redelijke en correcte uitwerking en uitvoering van deze nieuwe belasting.

Deel deze pagina:
Over de auteurs
Rodolphe de Pierpont
Competentiecentrum Fiscaliteit & Investeringen
Robbe Reyns
Competentiecentrum Fiscaliteit & Investeringen