Nieuws • 13 juli 2026

Sociale bijdragen – Derde kwartaal 2026

Wat zijn de tarieven van de sociale bijdragen voor het derde kwartaal van 2026? U vindt ze in de onderstaande tabel, die het percentage aangeeft van de verschuldigde werknemers- en werkgeversbijdragen voor zowel arbeiders als bedienden, alsook de totalen.

Ten opzichte van de tabel van het voorgaande kwartaal, is er niets veranderd.

(1) Met de zesde staatshervorming werd een basiswerkgeversbijdrage ingevoerd. Omdat dit voor bepaalde
toepassingen van belang is, vermelden we in de tabel de historische deelpercentages per sector.
(2) Niet inbegrepen de bijdrage van 10,27%, berekend op het brutoloon van het  vorige jaar aan 108%, die uiterlijk op 30 april moet worden betaald. Die bijdrage zou stijgen (zie hierboven).
 

De ‘centenindex’-maatregel gaat gepaard met een bijzondere werkgeversbijdrage voor loonmatiging. Die bijdrage is verschuldigd tijdens de eerste en de tweede matigingsperiode (2026 en 2028). Na de eerste matigingsperiode wordt ze gevolgd door een voorlopige geconsolideerde loonmatigingsbijdrage en, na de tweede matigingsperiode, door een definitieve geconsolideerde loonmatigingsbijdrage. Dit contributieve luik heeft tot doel de helft van de besparing die ondernemingen realiseren dankzij de beperking van de indexering af te romen. Het bedrag moet aan de RSZ worden betaald. De formule voor de latere geconsolideerde loonmatigingsbijdragen moet daarentegen nog worden bepaald bij koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de ministerraad.

Ter herinnering: sinds de uitrol van de taxshift en in het bijzonder sinds 1 januari 2018, bedraagt het faciale tarief 25% voor werknemers uit de profitsector. De stapsgewijze lastenverlaging van de werkgeversbijdrage naar 25% werd ingezet sinds het tweede kwartaal van 2016. Die daling naar 25% wordt gerealiseerd door zowel de basiswerkgeversbijdrage als de loonmatigingsbijdrage gefaseerd te verminderen. Juridisch wordt de basiswerkgeversbijdrage voor werknemers uit categorie 1 (de profitsector) van artikel 330, eerste lid van de programmawet (I) van 24 december 2002 verminderd van 22,65% naar 19,88%. Anderzijds wordt de verlaging ook doorgevoerd in de loonmatigingsbijdrage, die daalt van 7,35% naar 5,12%. 

De bijdragevoeten voor de klassieke taken stijgen tot 0,32% voor ondernemingen met minder dan 20 werknemers en tot 0,37% voor ondernemingen met meer dan 20 werknemers. De bijdrage voor tijdelijke werkloosheid bedraagt voortaan 0,09%. Die tarieven houden geen rekening met de loonmatiging.

De bijdrage voor het Asbestfonds (0,01%) zal verschuldigd zijn voor de eerste drie kwartalen van 2026.

De bijdragevoet voor de opleiding en tewerkstelling van risicogroepen hangt af van de sectorale overeenkomsten die hierover worden afgesloten. Als er geen sectorale overeenkomsten zijn neergelegd, is het tarief vastgesteld op 0,10%. Deze bijdrage moet worden betaald door de werkgevers die geen collectieve arbeidsovereenkomst hieromtrent hebben neergelegd ter Griffie van het Directoraat-generaal Collectieve arbeidsbetrekkingen van de Federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal overleg. De werkgevers hebben tot 1 oktober van het jaar waarop de cao betrekking het de tijd om een dergelijke cao bij voornoemde Griffie neer te leggen.

Ontslagen werknemers

De laatste versie van artikel 39ter van de wet van 03/07/1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is op 01/04/2025 in werking getreden. De werknemers die ontslagen

worden op of na die datum, met een opzeggingstermijn van ten minste 30 weken (of met

een vergoeding die daarmee overeenkomt), hebben recht op een eenmalig forfaitair budget van 1.800 euro met het oog op het volgen en bekostigen van inzetbaarheidsbevorderende maatregelen.

De volledige opzeggingstermijn (of vergoeding) bij ontslag wordt in twee delen gesplitst:

  • 1ste deel = 2/3 van het geheel, met een minimum van 26 weken
  • 2de deel = rest van het geheel

De werkgeversbijdrage op het 2de deel is bestemd voor de RVA en wordt gebruikt voor de

financiering van inzetbaarheidsbevorderende maatregelen.

In het kader van de driemaandelijkse aangifte heeft de RSZ ons de volgende instructies gegeven:

Wijziging vanaf het tweede kwartaal van 2025

De patronale bijdragen die in aanmerking komen voor de maatregel worden aangegeven in DmfA-zone “werkgeversbijdrage bestemd voor inzetbaarheidsverhogende maatregelen” in het blok “Tewerkstelling – Inlichtingen”.

Opzegtermijn of verbrekingsvergoeding start vanaf 01/04/2025: het volledige bedrag voor het 2de deel moet worden aan te geven onder de 1ste tewerkstellingslijn die het begin van het 1ste deel bevat. Het betreft een zone in het blok “inlichtingen tewerkstellingslijn” en heeft geen impact op de te innen werkgeversbijdragen.”

Meer info op : Administratieve instructies RSZ – 2025/2 > Het invullen van de DmfA

De tabel geeft voor elke sector van de sociale zekerheid het percentage aan van de verschuldigde werknemers- en werkgeversbijdragen voor zowel arbeiders als bedienden, alsook de totalen, op basis van het aantal in de onderneming tewerkgestelde werknemers. Voor de werkgevers en werknemers die aan alle sectoren van de sociale zekerheid bijdrageplichtig zijn, werden de afzonderlijke bijdragen per sector vervangen door een globale bijdrage. 

Enkele bijdragen komen niet in deze tabel voor, maar worden hieronder vermeld:

  • de bijzondere socialezekerheidsbijdrage die sedert 1 april 1994 wordt geïnd op de lonen van de werknemers;
  • de bijdrage van 8,86% die verschuldigd is op de werkgeversstortingen voor extralegale pensioenvoordelen;
  • momenteel bedraagt de bijdragevoet voor de jaarlijkse vakantie die werkgevers moeten betalen 15,84% op de loonmassa, aangegeven aan 108%. Gezien de bedragen die het stelsel tijdens de covidperiode heeft voorgeschoten (gelijkstelling van tijdelijkewerkloosheidsdagen ‘corona’, zonder tegenprestatie) en de ongunstige evolutie van de gelijkgestelde periodes, zullen de werkgevers- en werknemersbijdragen moeten worden verhoogd om het evenwicht van het stelsel geleidelijk te herstellen. Die verhoging zou ten laatste in 2027 gebeuren;
  • de door de RSZ geïnde bijdragen voor de fondsen voor bestaanszekerheid;
  • de bijzondere bijdragen ‘Decava’ op stelsels van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) en canada dry (bedrijfstoeslag op uitkeringen volledige werkloosheid); 
  • de bijzondere bijdrage van 48,53% (eventueel verdubbeld) op toeslagen voor voltijds en halftijds tijdskrediet, die worden toegekend op grond van individuele akkoorden of ondernemingsakkoorden, alsook op grond van sectorakkoorden die na 30 september 2005 zijn gesloten;
  • de bijdrage op de salariswagens en op de mobiliteitsvergoeding;
  • de solidariteitsbijdrage van 8,13% die verschuldigd is op de tewerkstelling van studenten die geen aanleiding geeft tot bijdrageplicht ten aanzien van de sociale zekerheid: 5,42% ten laste van de werkgever en 2,71% ten laste van de student. De verschillende bijdragevoeten naargelang de student wordt tewerkgesteld in de zomermaanden dan wel tijdens het schooljaar, werden sinds 1 januari 2012 vervangen door één bijdrage gedurende het hele jaar;
  • de solidariteitsbijdrage van 33% die sinds 1 januari 2009 verschuldigd is op de betaling of terugbetaling van de verkeersboetes van de werknemer door de werkgever; 
  • de bijzondere bijdrage op bepaalde extralegale pensioenen of zogeheten ‘Wijninckx’-bijdrage, wordt vanaf het bijdragejaar 2026 verhoogd tot 12,5%, in plaats van 3% vandaag (wet houdende diverse bepalingen van 18 december 2025);
  • de activeringsbijdrage ingevoerd door de programmawet van 21 december 2017. Deze bijdrage geldt sinds 1 januari 2018 voor werkgevers die ‘oudere’ werknemers op non-actief zetten. Het bedrag wordt op 1 januari 2024 verhoogd en ligt tussen 40% en 50% van het brutoloon. Het bijdragepercentage wordt bepaald in functie van de leeftijd van de betrokken werknemer (de leeftijdsgrenzen blijven ongewijzigd) en van het feit of de werknemer al dan niet een outplacementbegeleiding volgt (eventuele verlaging van de bijdrage). Vanaf 1 januari 2024 is het niet meer mogelijk om van de bijdrage vrijgesteld te worden. Onder bepaalde voorwaarden is een verlaagd bijdragepercentage mogelijk;
  • de responsabiliseringsbijdrage voor opeenvolgende dagcontracten in de uitzendsector. De berekening van de responsabiliseringsbijdrage gebeurt per periode van 6 maanden en de eerste facturering aan de klant-gebruiker is gepland voor oktober 2023; 
  • de solidariteitsbijdrage met betrekking tot arbeidsongeschiktheid, die is verschuldigd voor werkgevers die gemiddeld 50 werknemers tewerkstellen, voor meerderjarige werknemers1 die op het begin van de arbeidsongeschiktheid de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt en die sinds meer dan 30 dagen erkend zijn als arbeidsongeschikt. De solidariteitsbijdrage bedraagt 30% van het totaal van de primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die verschuldigd zijn voor een periode van twee maanden, berekend van datum tot datum, vanaf de eenendertigste dag van primaire arbeidsongeschiktheid van de werknemer. Ze wordt geïnd via een debetbericht samen met de bijdragen voor het 3e kwartaal volgend op het kwartaal waarin de primaire arbeidsongeschiktheid een aanvang heeft genomen. Concreet zal het debetbericht voor de solidariteitsbijdrage van het 2e kwartaal van 2026 eind maart 2027 worden verstuurd. De bijdrage moet uiterlijk eind april 2027 worden betaald.
  1. 1. De bijdrage is evenwel niet verschuldigd voor bepaalde categorieën van werknemers zoals flexi-jobbers, uitzendkrachten, gelegenheidsarbeiders enz. ↩︎
Deel deze pagina:

Lees meer artikels over:

Over de auteurs
Alice Defauw
Competentiecentrum Werk & Sociale zekerheid