De regering overweegt om een algemene wettelijke verplichting tot arbeidstijdregistratie in te voeren. Daarmee wil ze het Belgische arbeidsrecht in overeenstemming brengen met de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie over de naleving van de Europese arbeidstijdenregels. Het VBO plaatst daar samen met de andere werkgeversorganisaties fundamentele vraagtekens bij in het advies van de Nationale Arbeidsraad van 30 september 2026.
Huidige Belgische regelgeving biedt afdoende waarborgen
België beschikt vandaag al over een uitgebreid, afdoend juridisch kader om de rechten van de werknemers op veiligheid en gezondheid (die voortvloeien uit het Handvest van de grondrechten van de EU en de arbeidstijdenrichtlijn 2003/88) effectief te verzekeren en om de naleving van de maximale arbeidsduur en de verplichte rusttijden te waarborgen.
Er is geen bewijs dat België tekortschiet in de naleving van de Europese Arbeidstijdenrichtlijn. Bovendien legt die richtlijn zelf geen algemene verplichting op om arbeidstijd te registreren. Lidstaten beschikken volgens de Europese regels over een beoordelingsmarge om zelf te bepalen hoe zij de bescherming van werknemers verzekeren.
Naast de juridische argumenten benadrukken de werkgeversvertegenwoordigers dat de invoering van arbeidstijdregistratie haaks staat op de huidige manier van werken in een groot aantal functies. Daarbij staan autonomie, resultaat en vertrouwen voorop en zijn werknemers zelf ook steeds vaker flexibiliteit vragende partij om werk en privé beter op elkaar af te stemmen. Ook telewerk illustreert die evolutie.
Een algemene arbeidstijdregistratieverplichting is niet noodzakelijk noch proportioneel.
Tegelijk dreigt een algemene verplichting vooral aanzienlijke administratieve overlast en kosten voor ondernemingen te veroorzaken, zonder aantoonbare meerwaarde. Dat strookt niet met de doelstelling van de Belgische regering en van Europa om de regeldruk voor ondernemingen te verminderen.Kortom: een algemene arbeidstijdregistratieverplichting is dan ook niet noodzakelijk noch proportioneel.
Wat als de regering toch doorzet met haar plan?
Hoewel de werkgeversorganisaties vragen om af te zien van een algemene registratieverplichting, formuleren ze een aantal aandachtspunten voor het geval de regering haar plan toch zou doorzetten.
- 1. Ondernemingen moeten de vrijheid krijgen om zelf het registratiesysteem te kiezen dat het beste aansluit bij hun activiteiten, arbeidsorganisatie en werknemers.
- 2. Bestaande documenten, instrumenten en systemen die de nodige gegevens over de arbeidstijd al bevatten, moeten volstaan. Ondernemingen mogen niet worden verplicht om dezelfde informatie opnieuw te verzamelen of in een bijkomend systeem onder te brengen. Het ‘only once’- principe moet worden toegepast.
- 3. Het louter registreren van de afwijkingen ten opzichte van de toepasselijke werkroosters kan de administratieve last aanzienlijk beperken, zonder afbreuk te doen aan de controleerbaarheid ervan. Wanneer de voorziene werkroosters bekend zijn, kunnen de werkelijk gepresteerde uren immers op basis van die geregistreerde afwijkingen worden vastgesteld.
- 4. Gerichte uitzonderingen zijn noodzakelijk. Een werkbare regeling vereist duidelijke uitzonderingen voor die situaties waarin de arbeidstijd niet wordt gemeten of kan worden gemeten, niet vooraf wordt bepaald of door de werknemers zelf wordt bepaald. Dat geldt onder meer voor personen met een leidinggevende functie of vertrouwenspost, telewerkers en ‘reizend personeel’.
- 5. Zorg voor administratieve vereenvoudiging. Een eventuele hervorming moet gepaard gaan met een vereenvoudigingsoefening en de afschaffing van al bestaande formaliteiten die door de nieuwe registratie overbodig worden.
- 6. Voorzie voldoende tijd. Geef ondernemingen ten slotte een realistische invoeringstermijn van minstens één jaar vanaf de bekendmaking van de wet in het Belgisch Staatsblad.
Het VBO roept de regering op om rekening te houden met de bekommernissen van de ondernemingen en af te zien van haar voornemen om een algemene arbeidstijdregistratie te verplichten. Als de regering daar toch mee verder zou gaan, dan pleit het VBO voor keuzevrijheid, het ‘only once’-principe, gerichte uitzonderingen, de beperking van de administratieve lasten en een redelijke invoeringstermijn.
Lees meer artikels over:
