De situatie op het vlak van energie en industrie in ons land is bijzonder zorgwekkend. Dat is, moeten we toegeven, niet alleen het gevolg van de internationale spanningen of de geostrategische keuzes en standpunten van Europa ‒ al is de rechtstreekse impact daarvan op het concurrentievermogen van onze ondernemingen en het dagelijkse leven van onze burgers wel degelijk reëel. Trage administratieve en besluitvormingsprocessen (hoe lang is het nog wachten op de ‘Boucle du Hainaut’?), voortdurende wijzigingen in het (Europese) regelgevingskader, gebrek aan een langetermijnvisie, institutionele complexiteit en budgettaire beperkingen: stuk voor stuk zijn het factoren die een al precaire situatie verder bemoeilijken.
Van ambitieuze doelstellingen naar een concreet plan
Het is belangrijk om ambities te hebben. Nog belangrijker is het om die te kunnen verwezenlijken. Toch blijven we ons te vaak doelen stellen die we niet kunnen halen. Een ambitie moet dan ook steeds gepaard gaan met beleid en maatregelen (rond competitieve prijzen, infrastructuur …) die de voorwaarden scheppen voor het welslagen ervan. Zoniet blijven we tegen een muur aanlopen. Dat beleid en die maatregelen mogen bovendien geen bijkomende beperkingen met zich meebrengen en moeten ondernemingen dus zoveel mogelijk de vrijheid laten om zelf de meest doeltreffende manier te kiezen om de vooropgestelde doelstelling te bereiken.
In dat verband horen we steeds vaker dat de Europese Commissie te weinig voeling heeft met de realiteit op het terrein. Staat Europa wel voldoende stil bij de vraag of er voor zij die moeten investeren, produceren, transformeren en jobs creëren een sluitende businesscase bestaat? Hoewel ik een fervent voorstander blijf van het Europese model, ben ik van mening dat Europa meer en beter rekening moet houden met de actoren die de ambities van Europa concreet moeten waarmaken.
Het Nationaal Energie- en Klimaatplan als oplossing?
Bevoorradingszekerheid, concurrerende prijzen en een koolstofarme economie: met die drie uitdagingen wordt ons energiesysteem geconfronteerd. De oplossingen om ze het hoofd te bieden zijn bekend:
– optimalisatie van het netwerk en de flexibiliteit;
– investeringen in en alternatieve financiering van de infrastructuur;
– een concurrerende, veerkrachtige en koolstofarme energiemix;
– vergunningen die binnen een redelijke termijn worden verleend;
– een industriebeleid dat aansluit op het energiebeleid;
– afstemming van vraag, aanbod en netwerk;
– realistische ambities;
– administratieve vereenvoudiging;
– batterijen die het netwerk ondersteunen.
Daarnaast blijft er over verschillende zaken onduidelijkheid bestaan, zoals over de plaats van ‘datacenters’ in het energiesysteem.
Hoewel het idee niet nieuw is, blijf ik ervan overtuigd dat een energie- en industriële visie, waarin al die fundamentele elementen samenkomen en die door zowel overheden als stakeholders wordt gedragen, onontbeerlijk is. Die visie moet vervolgens worden vertaald naar beleid en maatregelen (PAM’s). In dat opzicht zou het NEKP (Nationaal Energie- en Klimaatplan) die gemeenschappelijke visie en de uitvoering ervan dus moeten weerspiegelen. Het NEKP moet bovendien vergezeld gaan van een echt opvolgingsdashboard. Daartoe moeten gegevens worden gedeeld over de regionale industriële vooruitzichten, de toekomstige elektriciteitsbehoeften, de netwerkcapaciteit, het flexibiliteitspotentieel, de elektriciteitsproductiemiddelen, de spreiding van investeringen, de rol van datacenters en de infrastructurele beperkingen. Een dergelijke open uitwisseling zou ons toelaten dezelfde taal te spreken.
De indiening van het geactualiseerde NEKP-ontwerp in 2027 vormt een echte strategische oefening voor ons land. En is de gelegenheid om samen, met alle stakeholders, een concrete visie te ontwikkelen die zowel ambitieus als realistisch is en waarin klimaatdoelstellingen, economisch concurrentievermogen en bevoorradingszekerheid worden gecombineerd.
De uitdagingen op energiegebied zijn bekend, net als de oplossingen. Het Nationaal Energie- en Klimaatplan, een essentiële strategische oefening, moet de uitvoering van de nodige maatregelen concretiseren.
Nood aan specifieke aanpak voor strategische projecten
Tot slot moet België zijn strategische projecten beter in handen nemen. Versnipperde kennis, een wildgroei aan procedures en een te onduidelijke governance maken dat te veel initiatieven niet de beoogde resultaten opleveren.
Voor prioritaire dossiers is een centrale aansturing noodzakelijk: er moet een coördinator of projectleider worden aangeduid met een duidelijk mandaat, deadlines en het vermogen om cruciale knelpunten te identificeren en snel naar het geschikte beslissingsniveau te brengen. Willen we onze ambities waarmaken, dan moet onze focus minstens zo sterk liggen op de uitvoering als op het vaststellen van die ambities. Daartoe hebben we een vernieuwde werkwijze nodig, resoluut gericht op efficiëntie en concrete resultaten.
