De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) publiceerde onlangs zijn verslag over de macro-economische situatie van niet-financiële vennootschappen. In dat verslag stellen de sociale partners een gemeenschappelijke diagnose: hoewel het bruto-exploitatieoverschot (BEO), ook wel brutomarge genoemd, de laatste decennia sterk toenam, blijft de nettorentabiliteit onder druk staan.
Twee verschillende indicatoren
De brutomargevoet meet de verhouding van het BEO tot de toegevoegde waarde. Het is de indicator voor het deel van de gecreëerde rijkdom dat overblijft voor de onderneming na de bezoldiging van arbeid. Verwar de brutomargevoet echter niet met winst: het gegenereerde surplus moet eerst de afschrijvingen, financiële lasten en vennootschapsbelasting (VenB) dekken, waarna de resterende bedragen kunnen worden gebruikt voor voorzieningen voor risico’s of toekomstige investeringen of de vergoeding van aandeelhouders.
De nettorentabiliteit na vennootschapsbelasting biedt een aanvullend inzicht dat dichter bij de economische realiteit ligt. Die indicator verhoudt de werkelijk beschikbare inkomsten na belastingen tot de ingezette middelen en maakt het mogelijk om het werkelijke rendement van productiemiddelen en het zelffinancieringsvermogen van een onderneming te evalueren.
Opvallende kloof
Het verslag toont aan dat het BEO in verhouding tot de toegevoegde waarde van niet-financiële vennootschappen de afgelopen jaren toenam. De brutomargevoet ging namelijk van 36,4% in 1996 naar 44,1% in 2024.
De nettorentabiliteit na belastingen is daarentegen nog steeds niet terug op het niveau van vóór de wet van 1996. Na een gestage daling tot 2013 herstelde de rentabiliteit geleidelijk, maar ze blijft onder het referentieniveau. In 2024 bereikte ze 7,3%, tegenover 8,2% in 1995. Dat verschil tussen de brutomarge en de nettorentabiliteit is een centraal element in de CRB-diagnose.
Brutomargevoet en nettorentabiliteit van niet-financiële vennootschappen

Surplus kalft steeds meer af door afschrijvingen en belastingen
De verklaring voor die kloof tussen de brutomarge en de nettorentabiliteit na belastingen ligt in het gebruik van het BEO-surplus dat de afgelopen decennia werd gegenereerd. Een steeds groter deel van dat surplus wordt opgeslorpt door bepaalde uitgavenposten die de werkelijk beschikbare inkomsten van ondernemingen verminderen, waaronder afschrijvingen en de vennootschapsbelasting. Twee grote evoluties vallen daarbij op.
Enerzijds wordt een groeiend deel van het BEO van ondernemingen besteed aan de vernieuwing van machines en apparatuur, vooral in de context van de digitalisering van de economie. Het aandeel afschrijvingen in de toegevoegde waarde ging zo van 16,6% in 1995 naar 21,1% in 2024. Anderzijds is het aandeel van de vennootschapsbelasting in de toegevoegde waarde, dus het deel van de gecreëerde rijkdom dat via de VenB wordt geïnd, in dezelfde periode bijna verdubbeld, van 3,3% naar 6%.
Een stijgende spaarquote en licht dalende dividenden
Naast afschrijvingen en belastingen, financiert het BEO ook de opbouw van reserves binnen de ondernemingen en finaal de vergoedingen voor de aandeelhouders. Uit de gegevens blijkt dat niet-financiële vennootschappen hun reserveringen de afgelopen jaren eerder vergrootten om toekomstige investeringen te financieren en zich beter te beschermen tegen risico’s. De nettodividenden die worden uitgekeerd aan aandeelhouders bleven daarentegen dalen en bevinden zich nu op een lager niveau dan midden jaren 90.
Nettodividenden (in % van de toegevoerde waarde)

Structureel concurrentievermogen blijft prioriteit
Ondanks de toename van het bruto-exploitatieoverschot blijft de rentabiliteit van bedrijven dus onder druk staan, vooral in de sectoren die het meest blootstaan aan internationale concurrentie, zoals de maakindustrie. Een sterker structureel concurrentievermogen blijft de hoogste prioriteit om de industriële activiteit en de werkgelegenheid in België te kunnen behouden.
> Download het verslag van de CRB ‘Macro-economische situatie van de ondernemingen‘
Lees meer artikels over:
