Nieuws • 14 november 2024

Eén op drie werknemers kent promotieval van 83%

Vorige week publiceerde de Hoge Raad van Financiën (HRF) zijn rapport over de werkloosheids- en promotieval. Daaruit blijkt dat één op drie voltijdse werknemers een promotieval ondervindt tot 83%. Daarmee is echter niet alles gezegd.

De marginale belastingdruk is het tarief dat u zou betalen op het extra loon bovenop het huidige brutoloon. Hoe hoger de marginale belastingdruk, hoe minder interessant het is meer te verdienen– ofwel: hoe groter de promotieval. Eén op drie werknemers zou volgens de Hoge Raad van de 100 euro bruto-loonopslag – die de werkgever 125 euro kost – slechts 21 euro overhouden. Het gaat hierbij om de groep van werknemers met een zeer laag tot laag loon.

Werkbonus als boosdoener?

De oorzaak van de promotieval zoekt de HRF vooral bij (de afbouw van) de lastenverlagingen voor de laagste lonen; zoals de werkbonus. De werkbonus is een – soms significante – lastenverlaging voor brutolonen tot 3.200 euro. De omvang van die bonus vermindert naargelang het brutoloon stijgt. Dat zorgt voor een bijkomende druk bij opslag.

Opvallend is dat de HRF geen wenselijke oplossing ziet. De promotieval verminderen kan op twee manieren:

  • Ofwel door de lastenverminderingen voor de laagste lonen – zoals de werkbonus – af te bouwen;
  • Ofwel door de lastenverminderingen uit te breiden naar alle loonniveaus.

De eerste optie heeft echter tot gevolg dat de werkloosheidsval vergroot en de koopkracht van de laagste lonen verkleint. De tweede optie kost dan weer handen vol geld. Bovendien ondergraaft ze het nut van de maatregelen. Daarom stelt de HRF dat geen van beide pistes wenselijk is, en beperkt hij zich tot de aanbeveling dat toekomstige hervormingen de marginale belastingdruk eerder zouden moeten beperken, dan verhogen.

Door te focussen op lastenverlagingen van de laagste lonen, staat de HRF evenwel onvoldoende stil bij de hoge tarieven in de personenbelasting.In werkelijkheid geldt in de tweede belastingschijf van 40% – de schijf waarin ook het minimumloon zich bevindt – al een belastingdruk bij opslag van 50%. Dat is de combinatie van sociale bijdrage en de basisbelasting verhoogd met de gemeentebelasting. De werkbonus voegt daar alleen maar een extra laag aan toe. Een tariefdaling binnen een fiscale hervorming, zoals tot voor kort besproken door de Arizona-partijen, zou alvast de promotieval temperen met 5%.

Laten we echter ook de positieve keerzijde van de promotievalniet vergeten. De werkbonus temperde niet enkel de werkloosheidsval, maar maakt ook dat een derde van de Belgen aanzienlijk meer van hun loon overhouden dan zij die uit de boot vallen.

Ook niet-lage lonen in België ontberen competitiviteit ten opzichte van het buitenland.

Promotieval vertelt niet het hele verhaal

Uit cijfers van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) blijkt dat Belgen met een loon gelijk aan de helft van het gemiddeld inkomen 83% van hun brutoloon overhouden (zie grafiek 1). De Duitsers en de Nederlanders moeten het doen met respectievelijk 70 en 81%. Het verschil met Luxemburg (84%) is verwaarloosbaar. Belgen met een hoger inkomen houden in vergelijking met de buurlanden dan weer steevast het minste over. Bij een gemiddeld loon is dat slechts 60%, in tegenstelling tot 71% in Nederland, en 74% in Luxemburg. Als we de analyse uitbreiden tot de EU27 (zie grafiek 2) dan behoren de Belgen met een laag loon (in een land met de allerhoogste lasten op arbeid) tot de Europese middenmoot (14de plaats van EU27). Belgen met een hoger loon houden veel minder over. In het geval van het gemiddeld loon houdt de Belg bijna het minste over (60%) (26ste plaats).

Grafiek 1: Beschikbaar inkomen bij 50 tot 150% gemiddeld inkomen in 2024: België en buurlanden (% van brutoinkomen)

Bron: VBO-berekeningen op basis van de output van het OESO tax-benefit-model. Modelversie 2.7.0

Grafiek 2: Beschikbaar inkomen bij 50 en 100% gemiddeld inkomen in 2024: België en andere EU27-landen (% van brutoinkomen)

Bron: VBO-berekeningen op basis van output van het OESO tax-benefit-model. Modelversie 2.7.0

Het rapport mag ons met andere woorden niet blind maken voor de vaststelling dat ook niet-lage lonen in België competitiviteit ontberen ten opzichte van het buitenland. Het verbreden van de belastingschijven en het verlagen van de tarieven moet daarom de prioritaire inzet zijn van een fiscale hervorming. Enkel op die manier temperen we de promotieval en maken we alle Belgische lonen meer competitief.

Deel deze pagina:
Over de auteurs
Koen De Munck
Competentiecentrum Economie & Conjunctuur
Robbe Reyns
Competentiecentrum Fiscaliteit & Investeringen
Marie-Noëlle Vanderhoven
Competentiecentrum Werk & Sociale zekerheid