Enkele dagen geleden publiceerde de Nationale Bank van België (NBB) een studie over de ontwikkeling van het loonaandeel in België in vergelijking met andere Europese landen. Daaruit blijkt dat in ons land het gedeelte van de toegevoegde waarde van de economie dat naar de verloning van werknemers gaat sinds 2013 is gedaald. In tegenstelling tot wat kan worden verwacht, is dat niet omdat de lonen te laag zijn, maar net omdat ze erg hoog liggen.
Technologische vooruitgang en globalisering doen loonaandeel wereldwijd dalen
Uit de studie blijkt dat het loonaandeel in België is gezakt van 61,8% in 1980 tot 54,2% in 2024. Eenzelfde daling (tot 53,9%) deed zich gemiddeld ook in de gehele eurozone voor. In Nederland was de daling nog wat sterker (tot 52%). In Duitsland daarentegen is het loonaandeel sinds de Hartz-hervormingen van begin deze eeuw – en tegen de trend in – opnieuw toegenomen van 54% tot 60%. In Frankrijk blijft het loonaandeel sinds begin jaren ’90 vrij stabiel tussen 56 en 59% (57,8% in 2024).

De NBB geeft aan dat de wereldwijd vastgestelde daling van het loonaandeel volgens de internationale economische literatuur het gevolg is van technologische vooruitgang en globalisering die gezorgd hebben voor belangrijke productiviteitswinsten. Daarbij is ook veel productie verschoven naar de meest productieve bedrijven (‘superstar firms’) die gekenmerkt worden door hoge winsten en een relatief laag loonaandeel.
De daling van het loonaandeel in België in 2013-2023: partiële verklaringen
De NBB zoomt voor België in op de cijfers voor de laatste tien jaar waarin het loonaandeel is gezakt van 57,7% (2013) tot 54,2% (2024), een sterkere daling dan gemiddeld in de eurozone, al blijft het Belgische loonaandeel nog steeds iets hoger dan het eurozonegemiddelde.
De NBB geeft zelf een aantal oorzaken aan: in de eerste plaats kunnen de verlagingen van de werkgeversbijdragen-SZ in 2016-2018 (taxshift) en de kleinere verlagingen in 2021 en 2023 een beperkte rol hebben gespeeld. Daarnaast kan een derde worden verklaard door structurele verschuivingen binnen de privésector (compositie-effecten), bijvoorbeeld door de sterke groei van de zeer kapitaalintensieve geneesmiddelenindustrie.
De essentie: hoge loonniveaus en forse indexering van 2022-2023 dwingen Belgische bedrijven tot arbeidsbesparende investeringen
Daarnaast kan de NBB alleen maar vaststellen dat de daling van het loonaandeel zich breed uitsmeerde over alle sectoren en bedrijven groot (-3,7% voor de 1% grootste) en klein (-2,6% voor de 99% kleinste) en dat de productiviteitswinsten dus in de meeste sectoren hoger waren dan de stijging van de loonkosten. De NBB geeft daarbij in één zin aan dat “het mogelijk is dat Belgische bedrijven meer hebben geïnvesteerd in automatisering om zo sterkere productiviteitswinsten te realiseren in reactie op relatief hoge loonkosten”.
En dat is natuurlijk de essentie van de verklaring. Die staat trouwens haaks op de vakbondsretoriek van de voorbije dagen die stelt dat het dalende loonaandeel het gevolg zou zijn van ‘te sterk ingeperkte’ loonstijgingen door de in 2017 aangepaste loonnormwet.
De realiteit is precies het tegenovergestelde. Omdat onze absolute loonkostenhandicap ten opzichte van de drie grote buurlanden in het voorbije decennium nooit substantieel (of langdurig) lager is geweest dan 10%, maar, integendeel, door de forse indexeringen van 2022 en 2023 (+/- 15%) weer sterk is toegenomen tot meer dan 12% in 2023 (bron: CRB), zijn bijna alle Belgische bedrijven het voorbije decennium permanent op zoek moeten blijven gaan naar arbeidsbesparende investeringen. Arbeid wordt daardoor in België zoveel mogelijk vervangen door investeringen in kapitaal (machines, digitalisering …). Te arbeidsintensieve activiteiten worden in veel gevallen gedelokaliseerd naar het buitenland en investeerders met arbeidsintensieve activiteiten zoeken meestal andere oorden op dan België.
Bovendien deden we door een te complexe regeling voor avondarbeid zelf de deur dicht voor arbeidsintensieve e-commerceactiviteiten in de distributiesector. Tegelijk viel ook de groei van de arbeidsintensieve dienstenchequeactiviteiten stil. Die sector kan nog nauwelijks rendabel zijn aangezien de prijzen die kunnen worden aangerekend (ondanks aanzienlijke stijgingen) niet konden mee evolueren met de stijging van de automatisch geïndexeerde lonen.
Ook hogere belastingen vreten toegevoegde waarde weg
Bovendien zorgde de uitdijende stroom aan overheidsuitgaven op federaal (vooral in de sociale zekerheid onder de Vivaldi-regering) en regionaal niveau voor een toename van de belastingen op de privésector (vaak geconcentreerd in specifieke belastingen op enkele sectoren). Dat betekent dat een groter stuk van de toegevoegde waarde van de bedrijven ook naar de betaling van bedrijfsbelastingen ging.
Lager loonaandeel en dus hoger bruto-exploitatieoverschot gaat vooral naar investeringen en belastingen
Wanneer wordt gekeken naar de aanwending van het resterende deel van de toegevoegde waarde in de privésector na betaling van de loonmassa, het zogenaamde ‘bruto-exploitatieoverschot’ van de bedrijven (en dus het spiegelbeeld van het loonaandeel), worden die tendensen bevestigd.
De afschrijvingen door bedrijven zijn daarin toegenomen van 16,6% van hun toegevoegde waarde in 1995 tot 21,1% in 2023. Belgische bedrijven hebben hun investeringsinspanningen in de voorbije decennia dus stelselmatig opgedreven om te innoveren maar ook en vooral om te besparen op arbeid (en energie).
En daarnaast zijn de door de bedrijven betaalde directe belastingen toegenomen van 3,3% van hun toegevoegde waarde in 1995 (16,5% van hun winst) naar 5,4% van hun toegevoegde waarde (25,4% van hun winst).
De conclusie is dan ook dat het netto-exploitatieoverschot van de bedrijven na belastingen (een macro-economisch ebitda-concept) vandaag in % van hun toegevoegde waarde lager ligt dan in 1995 (15,8% t.o.v. 16,7%).

En wanneer een nog meer correcte rentabiliteitsmaatstaf wordt gebruikt (ROI, netto-exploitatieoverschot na belastingen/kapitaalstock), dan lag die in 2023 slechts 6,7%, t.o.v. 8,2% in 1995 en gemiddeld 6,9% in de voorbije dertig jaar.

Conclusie
Het dalend loonaandeel in de toegevoegde waarde van de bedrijven is dus allerminst een indicatie van het feit dat de lonen te traag zouden stijgen. Wel integendeel, het aanhoudend hoge niveau van de loonkosten zorgt er juist voor dat onze economie steeds kapitaalintensiever wordt en steeds minder arbeidsintensief. Bovendien vreten ook de stelselmatig toenemende belastingen op bedrijven een deel van de toegevoegde waarde van de bedrijven weg.
Dat leidt er langzaam maar zeker toe dat lonen een minder grotere hap uit de toegevoegde waarde nemen en afschrijvingen op investeringen en belastingen een steeds grotere hap.
Het belang van uitgekeerde en gereserveerde winsten (d.i. gelijk aan het netto-exploitatie-overschot) zit rond zijn langetermijngemiddelde en in verhouding tot de kapitaalstock er zelfs lichtjes onder.
De basisproblemen blijven dus de te hoge loonkosten, te rigide arbeidswetgevingen en te hoge overheidsuitgaven. Het loonaandeel kan beter stijgen door meer mensen aan de slag te krijgen dan door de uurlonen te sterk te verhogen en zo een meer dan proportionele arbeidsuitstoot te veroorzaken.
Lees meer artikels over:
