De zevende editie van de federale enquête over de woon-werkverplaatsingen is een symbolische mijlpaal: twintig jaar onafgebroken monitoring van de werknemersverplaatsingen in ons land. Twee decennia aan data over de evolutie van onze mobiliteitsgewoonten en de hefbomen die de werkgevers inzetten.
De driejaarlijkse enquête woon-werkverkeer is verplicht voor werkgevers met ten minste 100 werknemers. Het doel? Betrouwbare gegevens verzamelen om het publieke debat en het beleid over de werknemersmobiliteit te voeden. De belangrijkste troef? Structurele trends identificeren. Maar de enquête heeft ook haar beperkingen. Zo heeft ze alleen betrekking op grote werkgevers en weerspiegelt ze dus niet alle aspecten van de realiteit binnen de kmo’s. Het beeld is realistisch, maar niet volledig.
Congestie: een sterk stijgende economische kost
Sinds begin 2026 zijn de kosten van de files met 35% gestegen, tot 1,121 miljard euro. Dat cijfer illustreert de omvang van de uitdaging: woon-werkmobiliteit is niet meer alleen een kwestie van verplaatsingen, maar ook een belangrijke economische factor, met een weerslag op het concurrentievermogen van bedrijven en het welzijn van werknemers.
Werkgevers als motor van verandering
De afgelopen 20 jaar werden werkgevers zich steeds meer bewust van het strategische belang van mobiliteit. Dat zien we in de aanzienlijke toename van het aantal maatregelen om de verplaatsingen van werknemers te bevorderen.
De meest gebruikte hefbomen zijn:
- de terugbetaling van de verplaatsingen met het openbaar vervoer,
- de fietsvergoeding,
- het mobiliteitsbudget.
Veranderingen in modale aandelen: duidelijke trends
De coronajaren buiten beschouwing gelaten, bleef het modale aandeel van het spoor de laatste 20 jaar over het geheel genomen stabiel.
De fiets daarentegen, is duidelijk aan een opmars bezig. In België steeg het aandeel van de fiets van 7,8% in 2005 tot 16,5% in 2024. Met andere woorden: de actieve vervoerswijzen wonnen continu aan terrein, vooral in stedelijke gebieden.
Over die periode van twintig jaar daalde het aandeel van de auto met 8%, van 66,8% naar 61,4%. Ondanks die daling blijft hij wel het favoriete vervoermiddel voor woon-werkverkeer.
Bij carpooling zien we dan weer een sterke daling, die misschien te verklaren valt door de flexibelere werktijden en de opkomst van telewerk.
Geconfronteerd met files en duurzaamheidsvraagstukken, worden werkgevers steeds belangrijkere schakels in het streven naar verandering.
Telewerk: een gedeeltelijke hefboom
De afgelopen jaren heeft telewerken de manier waarop we werk organiseren structureel veranderd.
Dankzij dat telewerk zien we nu 13% minder woon-werkverplaatsingen, en tot 28% minder verplaatsingen naar Brussel. De effecten zijn echter nog steeds onvoldoende om alle mobiliteitsproblemen op te lossen. Op twintig jaar tijd is de beroepsbevolking ook met 18% gegroeid, waardoor het totale aantal verplaatsingen gestaag toenam.
Ruimtelijke ordening, een echte hefboom?
Duurzame vervoerswijzen (openbaar vervoer en actieve vervoerswijzen) komen vaker voor in stedelijke gebieden. De belangrijkste redenen daarvoor zijn:
- een dichter en toegankelijker openbaarvervoeraanbod,
- een sterkere groei van het fietsgebruik in Belgische steden.
Die regionale verschillen onderstrepen het belang van een gedifferentieerde mobiliteitsaanpak, afgestemd op de lokale realiteiten en de specifieke beperkingen van bedrijven.
Twintig jaar aan gegevens uit de ‘Federale enquête woon-werkverkeer’ tonen duidelijk hoe onze mobiliteit structureel verandert. Geconfronteerd met files en duurzaamheidsvraagstukken, worden werkgevers steeds belangrijkere schakels in het streven naar verandering.
Lees meer artikels over:
