Nieuws • 29 oktober 2025

Grondwettelijk Hof verklaart wettelijk kader voor samenlevingsdienst nietig

In 2024 nam de vorige federale regering een wet aan tot invoering van de zogenaamde ‘samenlevingsdienst’. Dat initiatief was gericht op de inschakeling van jongeren tussen 18 en 25 jaar via een programma waarmee zij zich konden inzetten voor sociale projecten en tegelijk opleidingen en bewustmakingstrainingen konden volgen om hun burgerzin aan te scherpen.

De jongere voerde dus een opdracht uit binnen een erkende gastorganisatie en nam tegelijk deel aan burgerschapsmodules. De samenlevingsdienst duurde zes tot maximaal twaalf maanden en kon slechts één keer worden doorlopen. Ze werd omkaderd door het Platform voor de Samenlevingsdienst, dat optrad als beheerder.

Het VBO sprak toen zijn steun uit voor een initiatief dat jongeren begeleidt in hun socioprofessionele oriëntatie en inschakeling, maar bleef ook kritisch over de manier waarop het programma was opgezet.

Onze kritiek had met name betrekking op volgende elementen:

  • Ondernemingen konden geen gastorganisatie zijn voor de samenlevingsdienst, enkel in de publieke sector (overheidsdiensten) of in verenigingen was een samenlevingsdienst mogelijk.
  • De jongere moest gedurende zijn samenlevingsdienst volledig worden vrijgesteld van beschikbaarheid op de arbeidsmarkt, wat duidelijk in strijd was met het doel van socioprofessionele inschakeling.
  • Het totale budget dat voor het programma werd uitgetrokken (7,5 miljoen euro) was een duidelijke overschatting in verhouding tot de kosten voor de vergoeding en begeleiding van 1.000 jongeren.
  • De wet introduceerde een nieuw statuut naast de bestaande vrijwilligersregelingen of stagecontracten, hoewel het mogelijk (en eenvoudiger) zou zijn geweest de bestaande regelingen te verbeteren of uit te breiden.

Bovendien wees het VBO al op het juridische risico in verband met de bevoegdheidsverdeling tussen de gemeenschappen en de federale staat. Jeugd en opleiding, de onderwerpen van het federale kader voor de samenlevingsdienst, zijn namelijk twee bevoegdheden van de gemeenschappen.

Door aan het Platform voor de Samenlevingsdienst de rol van beheerder toe te kennen, stelde de wet het Platform de facto in staat om de wijze waarop de gemeenschappen hun bevoegdheden uitoefenen te controleren.

Het VBO wees al op het juridische risico dat verbonden was aan de bevoegdheidsverdeling tussen de gemeenschappen en de federale staat

De bepalingen van de wet werden dus overschaduwd door verschillende bevoegdheidsoverschrijdingen.

Naar aanleiding van het beroep van de Vlaamse regering verklaarde het Grondwettelijk Hof de wet van 15 mei 2024 in zijn geheel nietig. Jongeren die aan zo’n programma willen deelnemen, zullen voortaan dus opnieuw worden behandeld zoals elke andere persoon die aan een vrijwilligersprogramma deelneemt.

Het is nu aan de gemeenschappen om een nieuw rechtskader op te zetten als zij dat zinvol achten.

Het VBO herhaalt zijn steun voor alle maatregelen die jongeren in staat stellen zich te oriënteren, met name in deze snel veranderende context, waarin de nood aan nieuwe vaardigheden toeneemt. Het dringt er echter op aan dat elk nieuw initiatief wordt ontwikkeld in overleg tussen het federale niveau en de bevoegde gefedereerde entiteiten.  

Deel deze pagina:

Lees meer artikels over:

Over de auteurs
David Rozenblum
Competentiecentrum Werk & Sociale zekerheid