Nieuws • 21 oktober 2026

Mobiliteitsbudget: 1 januari 2027 is niet haalbaar

Oorspronkelijk was aangekondigd dat de eerste fase van de hervorming van het mobiliteitsbudget op 1 januari 2027 in werking zou treden. Iets meer dan twee maanden voor die deadline moeten we vaststellen dat die timing niet haalbaar is. Die datum werd bovendien nooit in een officiële tekst bevestigd.

Wat is een mobiliteitsbudget?

Het mobiliteitsbudget is een regeling die werknemers, wanneer hun werkgever beslist om ze in de onderneming in te voeren, toelaat om hun bedrijfswagen (of het recht daarop) in te ruilen voor een budget dat ze kunnen besteden aan verschillende mobiliteitsoplossingen, zoals een elektrische wagen (pijler 1), of een reeks zachtemobiliteitsopties (pijler 2: duurzame vervoermiddelen en huisvestingskosten). Het saldo van dat budget wordt uitbetaald in geld (pijler 3).

In het regeerakkoord worden met betrekking tot het mobiliteitsbudget twee ambities geformuleerd:

  • Het zal door werkgevers systematisch als mogelijkheid worden aangeboden aan werknemers die recht hebben op een bedrijfswagen (fase 1).
  • De bestaande regeling zal worden hervormd tot een mobiliteitsbudget voor iedereen (fase 2).

De eerste tekst van het voorontwerp van wet ter uitvoering van de eerste fase van die hervorming voorziet er onder meer in dat werkgevers die bedrijfswagens ter beschikking stellen van hun werknemers, onder bepaalde voorwaarden verplicht worden een mobiliteitsbudget aan te bieden. De in dat voorontwerp voorziene datum van inwerkingtreding was 1 januari 2027, met een uitstel voor werkgevers die gemiddeld minder dan 50 werknemers in dienst hebben. Die laatste kregen nog een jaar langer de tijd, tot 31 december 2027, om de betrokken werknemers een mobiliteitsbudget aan te bieden.

Tot nu toe werd echter nog geen officiële tekst gepubliceerd en beschikken bedrijven nog steeds niet over het definitieve wettelijke kader waarmee zij zich concreet op die hervorming kunnen voorbereiden. Zo’n regeling kan niet van de ene op de andere dag worden ingevoerd: werkgevers moeten onder meer hun mobiliteitsbeleid, hun administratieve processen en hun interne procedures kunnen aanpassen.

Het VBO vraagt de regering om een realistische aanpak

Een realistische timing is een conditio sine qua non voor rechtszekerheid, maar ook voor de geloofwaardigheid van de hervorming zelf. Het is dus tijd om de planning aan te passen aan de realiteit. De datum van inwerkingtreding moet worden uitgesteld om bedrijven voldoende tijd te geven om kennis te nemen van het definitieve kader (zodra dat bekend is) en de implementatie ervan voor te bereiden.

Het belang van het unanieme advies van de sociale partners

Het VBO herhaalt bovendien nadrukkelijk zijn oproep om het unanieme advies dat de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) en de Nationale Arbeidsraad (NAR) op 29 april 2026 uitbrachten, te respecteren. De sociale partners vragen om hun verschillende aanbevelingen in dat advies als een onlosmakelijk geheel te beschouwen, gezien het evenwicht en de samenhang ervan. In het advies wordt met name gepleit voor administratieve vereenvoudigingen, een beperking tot 50% van het deel van het mobiliteitsbudget dat aan huisvestingskosten kan worden besteed, en een daadwerkelijke keuze binnen de tweede pijler van het mobiliteitsbudget, afgestemd op de behoeften van de werknemers en in verhouding tot hun functie.

Voor het VBO moet dat unanieme akkoord van de sociale partners het uitgangspunt vormen voor de hervorming. De sociale partners leggen immers een gezamenlijk gedragen voorstel voor. Alleen onder die voorwaarde kan de hervorming van het mobiliteitsbudget een succes worden.



Deel deze pagina:

Lees meer artikels over:

Over de auteurs
Marie-Lise Pottier
Competentiecentrum Werk & Sociale zekerheid