Nieuws 19 december 2025

VBO Direct – Begrotingsbeslissingen: wat u moet weten

De federale regering landde maandagochtend 24 november met een akkoord over de begroting, en over enkele dossiers in tweede lezing die reeds geïntroduceerd werden in het zomerakkoord. Wij bieden u hier een accuraat overzicht en duiding van de diverse regeringsmaatregelen, weliswaar onder voorbehoud van eventuele verdere wijzigingen en/of aanvullingen.

Als u na het lezen van deze bijdrage nog vragen of opmerkingen hebt, nemen wij die graag mee tijdens de verdere opvolging van het politieke proces van dit begrotingsakkoord. Zelf antwoorden formuleren is helaas niet mogelijk omdat we nog niet over alle informatie beschikken. U kunt uw vragen sturen naar dit e-mailadres: [email protected].

1. PENSIOENWET

Na het zomerakkoord lagen nog enkele knelpunten op tafel over de pensioenhervorming. Wat het stelsel van werknemers betreft, zijn we tevreden met de tenuitvoerlegging van het akkoord van de sociale partners over de eindeloopbanen, met een volledige gelijkstelling van de tijdskredieten eindeloopbaan voor werknemers die daadwerkelijk tot de wettelijke pensioenleeftijd werken. We zien ook enkele versoepelingen in de berekening van de beroepsloopbaan. Het eerste jaar wordt nog steeds meegerekend zolang het 104 werkdagen telt. De volgende jaren moeten echter 156 werkdagen tellen. Er zal een administratieve tolerantie worden geboden voor werknemers die een paar dagen te kort hebben. Daarnaast worden perioden van ziekte en invaliditeit gelijkgesteld met gewerkte perioden om te verifiëren of de malus al dan niet van toepassing is. Dat is een aanzienlijke versoepeling die hand in hand moet gaan met een doeltreffend terug-naar-werkbeleid. Het akkoord maakt nog steeds geen gewag van de tenuitvoerlegging van de maatregel in het regeerakkoord die voorziet in een beperking van het percentage gelijkgestelde perioden over de volledige loopbaan, noch van de maatregel die voorziet in de modernisering van de gezinssituatie.

2. VIERDE GOLF LANGDURIG ZIEKEN – TNW

De responsabiliseringsmaatregelen voor de verschillende actoren op het vlak van arbeidsongeschiktheid werden in het zomerakkoord versterkt (3e golf), maar werden nog niet aangenomen (ze werden eind november ingediend in de Kamer via een wetsontwerp tot uitvoering van een versterkt terug naar werk-beleid in geval van arbeidsongeschiktheid). Het begrotingsakkoord van 24 november wil die responsabiliseringsmaatregelen nu nog verder verstevigen (4e golf). Van responsabilisering van de werkgevers is helaas geen sprake, want bedrijven met minstens 50 werknemers zullen automatisch een solidariteitsbijdrage moeten betalen van 30% van de RIZIV-uitkering, of 18% van het brutoloon van de tweede tot de vijfde maand van arbeidsongeschiktheid voor hun werknemers tussen 18 en 55 jaar. 

Voor de 2e en 3e maand zou dat vanaf 2026 in voege treden via de TNW-wet (Terug Naar Werk). Daar komen met dit nieuwe akkoord nu ook de 4e en 5e maand bij vanaf 1 januari 2027. En dat terwijl de bedrijven daar helemaal geen controle over hebben. De bijdrage bedraagt 30% van de RIZIV-uitkering. Het gaat dus om een pure kostenverhoging voor de betrokken werkgevers, ten koste van de middelen die moeten worden toegewezen aan preventie en re-integratie.

De solidariteitsbijdrage is evenwel niet verschuldigd als een werknemer die zich in de eerste 5 maanden van de arbeidsongeschiktheid bevindt het werk gedeeltelijk hervat bij de eigen of een andere werkgever. 

Kmo’s met minder dan 50 werknemers blijven vrijgesteld van de solidariteitsbijdrage en alle eventuele andere uitbreidingen van de responsabiliseringsmaatregelen, maar er zullen voor hen specifieke maatregelen worden uitgewerkt. Het is nog niet duidelijk om welke maatregelen het gaat. 

Er zullen extra middelen worden uitgetrokken voor de controle van arbeidsongeschiktheid voor zowel mutualiteiten als het RIZIV, met als doel het aantal personen in invaliditeit tegen 2030 met 100.000 te verminderen. Mutualiteiten worden sterker geresponsabiliseerd, met name wat betreft de controles die ze uitvoeren. Ook patiënten die in het buitenland verblijven zullen worden gecontroleerd. Ten slotte zullen ook de mensen die vanuit werkloosheid in arbeidsongeschiktheid terechtkomen worden gemonitord. 

De werkhervattingspremie die aan werkgevers wordt toegekend wanneer werknemers die minstens een jaar arbeidsongeschikt zijn geweest opnieuw aan het werk gaan, wordt verhoogd. 

3. ARBEIDSMARKT: FLEXI-JOBS

Het begrotingsakkoord bevestigt de aanpak van de regering met betrekking tot de flexi-jobs. De bedoeling is om het systeem uit te breiden naar alle sectoren en het ook mogelijk te maken in de publieke sector (door middel van sociaal overleg in de federale administratie). De momenteel geldende socialezekerheidsbijdrage (een bijzondere bijdrage van 28% ten laste van de werkgever) wordt niet verhoogd.

De regel die (onder de Vivaldi-regering) werd ingevoerd om het loon en de voordelen te plafonneren op 150% zal worden gecorrigeerd. Het plafond van 150% zal nu alleen van toepassing zijn op het basisloon (en dus niet langer op de voordelen, tenzij die niet van toepassing zijn op grond van algemene wettelijke of regelgevende bepalingen).

De voorwaarde van een 4/5-tewerkstelling is nog steeds van toepassing.

Bevestigd: eenzelfde persoon mag als uitzendkracht werken voor een bepaalde werkgever en tegelijk als flexi-jobber bij een andere werkgever via hetzelfde uitzendbureau.

De uitsluiting van artistieke en daarmee gelijkgestelde functies wordt behouden.

Nieuw is wel dat de sectoren jaarlijks bepaalde informatie moeten rapporteren, zoals het aantal flexi-jobs en het aantal gewerkte uren in flexi-jobs in de sector. De RSZ zal de vereiste informatie verstrekken.

De tekst met betrekking tot de wijzigingen inzake de flexi-jobregeling werd in eerste lezing goedgekeurd op de ministerraad van 5 december. De tekst wordt nu overgemaakt aan de Raad van State en wordt later opnieuw door de ministerraad besproken in tweede lezing. Het blijft de bedoeling dat de hervorming in werking treedt op 1 april 2026.

4. INDEX

Het begrotingsakkoord voert een soort gedeeltelijke indexsprong in, onder de vorm van een centenindex. Die ingreep zou een eerste keer plaatsvinden in 2026 en nogmaals in 2028. Concreet zullen enkel de lonen tot 4.000 euro normaal geïndexeerd worden volgens het indexmechanisme van toepassing in de sector en worden de lonen vanaf 4.000 euro volgens een centenindex geïndexeerd met een forfaitaire verhoging van in totaal 80 euro (2% indexering zal dus niet worden toegepast). Dat betekent niet dat de werkgever volledig vrijgesteld is van die lasten boven de 4.000 euro. De helft van de kost die normaal door de indexering veroorzaakt zou worden, moet de werkgever doorstorten aan de RSZ. Hoe die maatregel moet worden uitgevoerd, is echter nog bijzonder onduidelijk. In de privésector wordt immers in de meeste gevallen niet met een spilindex gewerkt maar met een jaarlijkse of periodieke aanpassing van de lonen. Het lijkt alvast onmogelijk dat het wettelijk kader tegen 1 januari 2026 klaar zal zijn, wanneer een kwart van de private sector zijn indexering doorvoert. Hoe het bedrag dat de werkgever aan de RSZ moet doorstorten zal worden berekend, is opnieuw hoogst onduidelijk. Over die maatregel zal dus nog heel wat opheldering nodig zijn. We komen er later op terug.

5. ARBEIDSMARKTHERVORMINGEN (ONDER ANDERE WET DIVERSE BEPALINGEN 2)

In de marge van het begrotingsakkoord werd ook de wet diverse bepalingen 2 door de regering in tweede lezing goedgekeurd. Zo wordt verdere uitwerking gegeven aan de reeds genomen beslissingen uit het zomerakkoord. De wet voorziet in een aantal arbeidsmarkthervormingen, waarvan we de belangrijkste elementen hieronder bespreken. Aangezien die wetteksten nog moeten worden goedgekeurd in het parlement, is dit nog onder voorbehoud.

Vrijwillige overuren

Vooraleer de wettekst m.b.t. de vrijwillige overuren naar het Parlement wordt gezonden, wordt deze eerst nog voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Hetgeen volgt is dan ook onder voorbehoud.

Het huidige aantal vrijwillige overuren dat een werknemer kan presteren wordt opgetrokken van 120 naar 360 overuren, waarvan er 240 vrij van personenbelasting en sociale bijdragen zullen zijn en waarvoor er geen overloontoeslag moet worden betaald. Er werd beslist dat die vrijwillige overuren niet worden meegerekend voor de berekening van de interne grens.

Ook deeltijdse werknemers kunnen vrijwillige overuren presteren, op voorwaarde dat zij, op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet, reeds minstens 3 jaar werken op basis van een deeltijdse arbeidsovereenkomst en er zich een tijdelijke vermeerdering van werk voordoet.

Voor de prestatie van die vrijwillige overuren is er een schriftelijk en voorafgaand akkoord van de werknemer nodig, dat geldt voor een bepaalde duur van één jaar en telkens stilzwijgend verlengd wordt voor een nieuw jaar. Die overeenkomst kan door elke partij worden opgezegd mits naleving van een opzegtermijn of beëindigd worden in onderling akkoord tussen werkgever en werknemer. 

Arbeidstijdregistratie

Vanaf 1 januari 2027 zullen de werkgevers uit zowel de publieke als de private sector verplicht worden om over een objectief, betrouwbaar en soepel systeem te beschikken om de arbeidstijd van werknemers te registreren. De manier waarop de arbeidstijd wordt opgevolgd, zou vrij gekozen kunnen worden.

Schrapping 1/3-regel

De schrapping van de regel die bepaalt dat de wekelijkse arbeidstijd van een deeltijdse werknemer niet minder mag bedragen dan een derde van de wekelijkse arbeidstijd van een voltijdse werknemer, wordt uiteindelijk niet doorgevoerd.

Het is de bedoeling om de bestaande regel aan te passen (en dus niet langer af te schaffen) naar een minimaal volume van prestaties van 1/10 van een voltijdse werknemer. Die verlaging biedt het voordeel van haalbaarheid en versoepelt tegelijk de bestaande regel. Daarnaast moet de aanpassing van de regel worden geanalyseerd met het oog op de mogelijke gevolgen ervan voor de werkloosheidsregelgeving.

Nachtarbeid

De regering heeft een akkoord bereikt over het heikele dossier van de nachtarbeid. Het verbod op nachtarbeid wordt afgeschaft voor alle sectoren. Nachtarbeid blijft gedefinieerd als de arbeid verricht tussen 20 uur en 6 uur. Voor de distributiesector en aanverwante sectoren waaronder de elektronische handel, wordt de definitie van nachtarbeid evenwel beperkt tot de arbeid tussen 23 uur en 6 uur. 

Voor de bepaling van wat er onder “distributie en aanverwante sectoren” valt, werden de in het zomerakkoord aangekondigde 5 paritaire comités uitgebreid naar 14 paritaire comités. De uit te voeren activiteiten in de paritaire comités die onder de versoepelde definitie vallen, worden evenwel afgebakend tot kleinhandel (op voorwaarde dat dit geheel of gedeeltelijk online gebeurt met uitzondering van de dagbladhandelaars, nachtwinkels en winkels in tankstations), groothandel, logistiek en elektronische handel (handel die behoort tot klein- en groothandel en die verloopt via het internet).

Uiterlijk op 30 september 2027 zal de Centrale Raad een evaluatierapport bezorgen over deze definitie van distributie en aanverwante sectoren, met inbegrip van elektronische handel, waarna de definitie via in ministerraad overlegd besluit nog kan worden gewijzigd.

Inzake de premies werd het volgende beslist:

Voor de nieuwe werknemers die vanaf 1 april 2026 in dienst treden bij een werkgever in de distributie of aanverwante sectoren, met inbegrip van elektronische handel, zullen de premies verbonden aan prestaties tussen 20 uur en 6 uur, zoals die op 1 april 2026 zijn opgenomen in conventionele of reglementaire bepalingen of in het arbeidsreglement, uitsluitend gelden voor arbeidsprestaties tussen 23 uur en 6 uur. 

Van het voorgaande kan worden afgeweken door conventionele of reglementaire bepalingen, of door het arbeidsreglement, op voorwaarde dat de afwijking in werking treedt na de inwerkingtreding van de wet. Het bedrag van de premie voor arbeidsprestaties tussen 23 uur en 6 uur moet daarbij minimaal gelijk zijn aan de financiële vergoeding per uur zoals vastgelegd in cao 49, zoals gewijzigd bij cao 49bis.

Voor de werknemers die reeds in dienst zijn vóór 1 april 2026 in die sectoren, blijven de premies en voordelen voor de arbeidsprestaties tussen 20 uur en 6 uur onverkort van toepassing. Indien een werkgever daaraan evenwel om economische redenen toch wijzigingen zou willen aanbrengen, kan hij daarvoor het paritair comité vatten, dat het voorstel kan toetsen aan sectorale afspraken en aanbevelingen kan formuleren. 

De procedures voor de invoering van nachtarbeid worden eveneens versoepeld. 

Arbeidsregelingen met nachtprestaties kunnen in alle sectoren ingevoerd worden via een cao met de vakbonden van alle in de onderneming aanwezige vakorganisaties.  Bijkomend kunnen die arbeidsregelingen met nachtprestaties ook worden ingevoerd door een procedure tot wijziging van het arbeidsreglement.

In de distributie en aanverwante sectoren zijn er enkele bijkomende versoepelingen voorzien.  De invoering kan via een ‘gewone’ cao in de zin van de cao-wet, met slechts één in de onderneming aanwezige vakorganisatie of via een procedure tot wijziging van het arbeidsreglement. Om evenwel te vermijden dat, bij gebrek aan verzoening, het arbeidsreglement niet kan worden ingevoerd, wordt voorzien dat de bevoegde ambtenaar na de mislukte poging tot verzoening, de wettigheid van het arbeidsreglement vaststelt. Dat arbeidsreglement zal dan toch in werking treden op de achtste dag nadat hij de werkgever en de voorzitter van de ondernemingsraad daarvan in kennis heeft gesteld.

Arbeidsprestaties tussen 20 uur en 6 uur die geen arbeidsregeling met nachtprestaties uitmaken, m.a.w. ‘avondwerk’ (tot 24 uur), zullen vanaf de inwerkingtreding van de wet kunnen worden ingevoerd via de procedure tot wijziging van het arbeidsreglement, hetgeen reeds het geval was. Maar in geval van blokkering van dat arbeidsreglement door gebrek aan verzoening, kan ook hier de bevoegde ambtenaar de wettigheid van het arbeidsreglement vaststellen, waarna het gewijzigde arbeidsreglement wel in werking zal treden. Die vereenvoudigde procedure geldt voortaan voor alle sectoren.

6. VERLENGING RELANCE-UREN

In afwachting van de inwerkingtreding van de nieuwe regeling inzake vrijwillige overuren op 1 april 2026 (zie hierboven), wordt het bestaande systeem van de relance-uren verlengd voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026.

Daarvoor wordt een meerderheidsamendement ingevoegd in het wetsontwerp diverse fiscale bepalingen van 3 december 2025, dat werd gestemd in de fiscale commissie  van het parlement op 11 december 2025.  Aangezien evenwel een tweede lezing is gevraagd, is de behandeling in de plenaire zitting van het parlement geagendeerd in de tweede week van januari 2026.

Daarnaast is er ook een ontwerp van aanpassing van artikel 19§2 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders in de maak, voor de vrijstelling van sociale bijdragen van die relance-uren.

De in de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 maart 2026 gepresteerde relance-uren, zullen evenwel worden afgetrokken van de 240 vrijwillige overuren die voor 2026 zullen worden toegekend vanaf 1 april 2026.

7. AFSCHAFFING FEDERAL LEARNING ACCOUNT

Op donderdag 18 december 2025 werd de Federal Learning Account (FLA) definitief afgeschaft via een meerderheidsamendement toegevoegd aan het wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken van 25 november 2025. Het gestemde amendement voorziet bovendien dat alle in de FLA geregistreerde gegevens nog door Sigedis worden bewaard en ter beschikking gesteld van de betrokken werkgevers en werknemers tot en met 31 december 2026, waarna die gegevens worden vernietigd. De wet van 20 oktober 2023 betreffende de oprichting en het beheer van de Federal Learning Account, evenals het uitvoeringsbesluit van 12 mei 2024, zullen worden opgeheven. Conform het regeerakkoord en in nauwe samenwerking met de bevoegde gefedereerde entiteiten wordt er intussen gewerkt aan de ontwikkeling van een minder belastend systeem: de Individual Learning Account (ILA).

8. FISCALE MAATREGELEN IN HET BEGROTINGSAKKOORD 

Het begrotingsakkoord van 24 november 2025 bevat een reeks fiscale maatregelen met directe en indirecte gevolgen voor de ondernemingen.  

Een van die maatregelen met een impact op de werkgevers is de beperking op het systeem van vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (voor O&O, ploegenarbeid en nachtarbeid) vanaf 2027. De details van die beperking zijn nog niet bekend, maar de bedoeling is dat de begrotingsenveloppe voor dat voordeel stabiel blijft in de loop van de tijd.   

Er werden ook andere fiscale maatregelen genomen die belangrijk zijn voor de bedrijven, bijvoorbeeld op het vlak van btw en accijnzen.   

De drie btw-tarieven van 6, 12 en 21% blijven ongewijzigd. Binnen die categorieën zullen echter wijzigingen worden aangebracht voor hotel-, camping-, sport- en vrijetijdsdiensten, net als voor de verkoop van afhaalmaaltijden en bepaalde alcoholvrije dranken. Pesticiden zullen worden belast aan 21%. De precieze definities van de verschillende categorieën moeten nog worden vastgesteld.   

De accijnzen op verschillende fossiele brandstoffen (aardgas, benzine, diesel en stookolie) worden geleidelijk verhoogd, terwijl de accijnzen op residentiële (particuliere) elektriciteit worden verlaagd. Het gaat hier om de vertaling van de taxshift in het regeerakkoord. Die moet het gebruik van fossiele brandstoffen beperken en energiebronnen die minder CO2 uitstoten stimuleren.   

Daarnaast zal de uitkering van winsten uit een vennootschap via de liquidatiereserve of VVPRbis voortaan zwaarder worden belast. De regering verhoogt de tarieven van 15 naar 18 procent met als doel het gebruik van managementvennootschappen te ontmoedigen – hoewel de impact van die maatregel natuurlijk veel breder gaat dan enkel de managementvennootschappen.  

De regering is ook van plan om vanaf 2026 een heffing van 2 euro in te voeren op geïmporteerde pakjes, net als een taks van 10 euro op vliegtickets, met een specifieke toeslag voor korteafstandsvluchten.   

Meer specifieke/sectorale maatregelen vullen het pakket aan, met een bijzonder zware verhoging van de bankentaks met 150 miljoen euro en een verdubbeling van de effectentaks van 0,15% naar 0,30%. De verzekeringstaks stijgt van de huidige 9,25% naar 9,60%.  

Tot slot zijn er ook maatregelen genomen om belasting- en socialezekerheidsfraude te bestrijden, waaronder de oprichting van een nationaal fiscaal parket en de invoering van een register van sociale voordelen om misbruik tegen te gaan.   

De timing van de maatregelen varieert. Sommige maatregelen worden al in 2026 van kracht (gesteld dat de wetteksten vooraf kunnen worden gepubliceerd), andere zijn gepland voor 2027 of later. We merken op dat het zwaartepunt van de verhoging van de belastingvrije som, van toepassing op alle natuurlijke personen, gedeeltelijk werd uitgesteld tot 2030, terwijl die oorspronkelijk gepland was voor 2029. Maatregelen zoals de werkbonus en de verlaging van de bijzondere socialezekerheidsbijdrage worden daarentegen enigszins vervroegd. 

9. FISCAAL: BEVESTIGING VAN GESLOTEN AKKOORDEN

Door de uitgelopen budgettaire discussies hebben ook de fiscale akkoorden van deze zomer vertraging opgelopen. Het gaat met name over de meerwaardebelasting en de fiscale hervorming van de personenbelasting. Met het sluiten van het begrotingsakkoord is meteen ook de uitvoering bevestigd van die dossiers, zij het met hier en daar nog een aanpassing of verschuiving.  

Wat de meerwaardebelasting betreft, zijn er geen noemenswaardige veranderingen meer aangebracht in vergelijking met de eerste lezing, waaraan we reeds eerder een artikel wijdden. Hoewel de wet pas in 2026 zal kunnen worden gestemd, is het de bedoeling dat de taks van toepassing zal zijn op de meerwaarden die worden opgebouwd vanaf 1 januari 2026 – zoals initieel voorzien. De juridische en praktische haalbaarheid daarvan voor zowel de belastingplichtigen als de financiële sector is echter hoogst onzeker – in het bijzonder wat betreft de inhouding aan de bron door de banken. 

Ook voor de overige fiscale maatregelen die we reeds eerder bespraken werden de gesloten akkoorden van deze zomer bevestigd zonder grote inhoudelijke aanpassingen. Er wordt daarentegen wel ingrijpend gesleuteld aan de inwerkingtreding van de hervorming van de personenbelasting. Zoals hierboven beschreven, gaat het daarbij over de maatregelen met betrekking tot de BBSZ, werkbonus en belastingvrije som. 

10. PLAN VOOR GROEI EN SOCIALE COHESIE: NON-COST

De mogelijkheid om een PWA-tewerkstelling te cumuleren met een leefloon (OCMW-regeling) zal worden ontwikkeld.  

Deel deze pagina:
Over de auteurs
Monica De Jonghe
Edward Roosens
Competentiecentrum Economie & Conjunctuur
Rodolphe de Pierpont
Competentiecentrum Fiscaliteit & Investeringen
This site is registered on wpml.org as a development site. Switch to a production site key to remove this banner.