De regering-De Wever heeft de handschoen opgenomen om de relatie tussen de fiscus en de belastingplichtige te herstellen. Een van de centrale maatregelen daartoe is het verkorten van de fiscale onderzoeks- en aanslagtermijnen. Het is een belangrijke en vrij onderbelichte maatregel, die terugkomt op de verlengingen die onder de vorige regering werden ingevoerd.
Het regeerakkoord bevat een aantal interessante maatregelen in de goede richting op het vlak van de fiscale procedure in brede zin. Zo wil men onder andere het recht om fouten te maken uitdrukkelijk herbevestigen, werken aan een nieuw “charter van de belastingplichtige” en streeft men naar een uitbreiding van het horizontaal toezicht – waarbij belastingplichtigen en de fiscus de wet op een meer coöperatieve manier toepassen die rekening houdt met de realiteit van het bedrijfsleven. In de programmawet van juli werd al een eerste belangrijke stap gezet door te garanderen dat belastingplichtigen voortaan geen fiscale boete meer hoeven te vrezen in geval van een eerste overtreding te goeder trouw. Tegelijkertijd zullen belastingplichtigen zich kunnen beroepen op een vermoeden van goede trouw, dat in voorkomend geval door de administratie moet worden weerlegd.
Een volgende belangrijke maatregel op dat gebied is het opnieuw verkorten van de fiscale aanslag- en controletermijnen.
Wanneer een aangifte correct wordt ingediend maar fouten bevat, heeft de fiscus in principe drie jaar om die te controleren en te verbeteren. Als de aangifte helemaal niet of te laat wordt ingediend, beschikt de fiscus in principe over vier jaar.
Wanneer de fiscale administratie echter een vermoeden heeft dat er fiscale fraude in het spel is, geldt momenteel nog een aanslagtermijn van tien jaar. Dat betekent dus dat de administratie haar onderzoeksbevoegdheden mag aanwenden en de belasting mag heffen tot 10 jaar na het belastbaar feit. De regering brengt die termijn opnieuw naar zeven jaar, waarmee de situatie wordt hersteld naar de toestand zoals die bestond tot aanslagjaar 2022. Voor zogenaamde complexe aangiftes (voornamelijk aangiftes met een internationaal aspect) wordt de termijn vastgelegd op vier jaar. Het onderscheid tussen ‘complexe’ en ‘semi-complexe’ aangiftes wordt opgeheven.
Een bijkomend positief element is het feit dat de aanpassing met terugwerkende kracht wordt ingevoerd. Daardoor zal de door velen buitensporig geachte verlenging tot 10 jaar grotendeels dode letter blijven. Dat is een zeer goede zaak voor de overgrote meerderheid van ondernemingen die te goeder trouw handelen, maar toch tot 10 jaar na de feiten geconfronteerd kunnen worden met fiscale controles. Met andere woorden: een grote stap in de richting van meer rechtszekerheid en minder administratieve lasten voor de Belgische bedrijven.
Opvallend: die positieve evolutie moet echter genuanceerd worden doordat men (onbedoeld?) heeft nagelaten om ook de verplichte bewaartermijn voor fiscale stukken aan te passen. Die wordt voorlopig dus nog op 10 jaar gehouden. Het VBO zal blijven pleiten voor coherentie en voor het vermijden van buitensporige formalistische vereisten ten laste van ondernemingen.
Lees meer artikels over:
