Raad van State vernietigend over schorsing opzegtermijn tijdens tijdelijke werkloosheid wegens overmacht COVID-19

Het advies nr. 67.486/1 van de Raad van State van 5 juni 2020 maakt het wetsvoorstel tot schorsing van de opzegtermijn voor ontslagen gegeven voor of tijdens de periode van tijdelijke schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst omwille van overmacht ingevolge de COVID-19-crisis (55K1212) met de grond gelijk.


Hanne De Roo, COMPETENTIECENTRUM WERK & SOCIALE ZEKERHEID
16 juni 2020

Op 5 juni bracht de Raad van State afdeling Wetgeving haar advies nr. 67.486/1 uit met betrekking tot dit wetsvoorstel.

Ten eerste, is de Raad van State van mening dat het voorstel een verschil creëert in behandeling tussen categorieën van werkgevers en werknemers al naargelang de aard van de reden die aan de ingeroepen overmacht ten grondslag ligt. Een verantwoording in het licht van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel is daarvoor noodzakelijk. Die werd niet gegeven. De Raad van State zegt dat tijdens de verdere parlementaire behandeling van het voorstel dan ook voor de voorgestelde regeling een verantwoording dient te worden geboden die de toets aan het gelijkheidsbeginsel, zoals dat wordt opgevat in de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, kan doorstaan. Daarbij vraagt hij zich ook af of de gegeven verantwoording voor de afwijkende regeling voor opzegtermijnen die reeds liepen voor 1 maart waarbij een bijkomende vergoeding verschuldigd zou zijn, volstaat in het licht van het gelijkheidsbeginsel.

Ten tweede, herinnert de Raad van State aan het feit dat de niet-retroactiviteit van wetten een waarborg is ter voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht. De terugwerkende kracht kan enkel worden verantwoord wanneer ze onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Voor zover de beweerde ‘afwending’ van de opzeggingstermijn op de sociale zekerheid in beginsel moet worden beschouwd als het louter feitelijke gevolg van een juridisch correcte toepassing van de huidige regelgeving op het vlak van de onderbreking van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ingevolge overmacht, waarbij er zelfs geen ‘keuze’ is om de uitvoering van de arbeidsovereenkomst al dan niet te schorsen, valt niet goed in te zien hoe het vermijden van die ‘afwending’ als onontbeerlijk zou kunnen worden beschouwd voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang die de retroactiviteit zou verantwoorden. De Raad van State, afdeling Wetgeving, ziet in dit geval niet de noodzakelijkheid van de terugwerkende kracht voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang. Ze is van mening dat er dan ook dient te worden afgezien van elk retroactief effect van de voorgestelde regeling.

Als gevolg van dit negatief advies van de Raad van State werd het wetsvoorstel tot schorsing van de opzegtermijn voor of tijdens de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht (55K1212) aangepast en op 11 juni in de plenaire vergadering goedgekeurd. Lees meer in volgend artikel ‘Schorsing van de opzeggingstermijn bij tijdelijk werkloosheid wegens overmacht - De rede heeft gezegevierd’ 

Onze partners

Actiedomeinen

Een gezond ondernemingsklimaat is essentieel voor een gezonde economie en duurzame groei in België. Als VBO nemen we de verantwoordelijkheid om de motor van onze welvaartsstaat op kruissnelheid te houden. Om dat te bereiken, focussen we op 18 actiedomeinen die bijdragen tot een duurzame groei.


VBO-NIEUWSBRIEVEN

Schrijf u nu in en ontvang wekelijks de laatste artikelen direct in uw mailbox.