COVID-19: Juridische maatregelen en privacykwesties

UPDATE 10/04/2020

> Lees ons volledige dossier Impact coronavirus (COVID-19) op ondernemingen

 

1. Bijzondere-machtenwetten ter bestrijding van COVID-19
2. Relaties met leveranciers (schorsing of beëindiging van contracten
3. Is het coronavirus een geval van overmacht?
4. Persoonsgegevens en privacy in het kader van COVID-19
5. Continuïteit van de werking van de ondernemingsorganen
6. Mededigingsrecht

 

1. Bijzondere-machtenwetten ter bestrijding van COVID-19

Twee volmachtenwetten verlenen machtiging aan de koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19.

De eerste van die twee wetten (Wet COVID-19 I) stelt de koning in staat, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bevoegdheid, de werking en de rechtspleging, met inbegrip van de bij wet bepaalde termijnen, van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges, aan te passen teneinde de goede werking van deze instanties en in het bijzonder de continuïteit van de rechtsbedeling en hun andere opdrachten te garanderen.

Die besluiten mogen de geldende wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt.

Ze kunnen een terugwerkende kracht hebben, die echter niet verder kan teruggaan dan 1 maart 2020.

De tweede wet (Wet COVID-19 II) machtigt de koning om maatregelen te nemen om:

  • de verdere verspreiding van het coronavirus COVID-19 onder de bevolking tegen te gaan, met inbegrip van de handhaving van de volksgezondheid en de openbare orde;
  • de noodzakelijke logistieke en opvangcapaciteit, met inbegrip van de bevoorradingszekerheid, te vrijwaren of erin bijkomend te voorzien;
  • directe of indirecte steun te bieden aan of beschermende maatregelen te nemen voor de getroffen financiële sectoren, de economische sectoren, de profit- en non-profitsector, de bedrijven en de huishoudens om de gevolgen van de pandemie te beperken;
  • de continuïteit van de economie, de financiële stabiliteit van het land en de marktwerking te garanderen alsook de consument te beschermen;
  • aanpassingen door te voeren in het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht, met het oog op de bescherming van de werknemers en van de bevolking, de goede organisatie van de ondernemingen en de overheid, met vrijwaring van de economische belangen van het land en de continuïteit van de kritieke sectoren;
  • de bij of krachtens de wet bepaalde termijnen te schorsen of te verlengen volgens de bepaalde termijnen;
  • met naleving van de fundamentele beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht en met inachtneming van de rechten van verdediging van de rechtszoekenden, de goede werking van de rechterlijke instanties en in het bijzonder de continuïteit van de rechtsbedeling te verzekeren in zowel burgerlijke als strafzaken en inzake de procedure en de nadere regels voor de uitvoering van straffen en maatregelen;
  • zich te schikken naar de beslissingen genomen door de overheden van de Europese Unie in het kader van het gezamenlijk beheer van de crisis.

De maatregelen kunnen een terugwerkende kracht hebben, die echter niet verder kan teruggaan dan 1 maart 2020.

De koninklijke besluiten genomen krachtens deze COVID-19-wet mogen geen:

  • afbreuk doen aan de koopkracht van de gezinnen en aan de bestaande sociale bescherming;
  • de bijdragen aan de sociale zekerheid, de belastingen, de taksen en rechten, niet aanpassen, opheffen, wijzigen of vervangen, inzonderheid de grondslag, het tarief en de belastbare verrichtingen.

De machtiging verleend aan de Koning vervalt drie maanden na de inwerkingtreding ervan. De besluiten worden bij wet bekrachtigd binnen een termijn van een jaar vanaf hun inwerkingtreding. Indien dat niet gebeurt, worden ze geacht nooit uitwerking te hebben gehad.

De twee wetten werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 30 maart 2020. Ze traden in werking op de dag van hun publicatie.

2. Relaties met leveranciers (schorsing of beëindiging van contracten)

Wat als een leverancier niet op tijd levert?

Kijk in de eerste plaats na welke afspraak u hierover hebt gemaakt met uw leverancier. Zowel de algemene als de bijzondere contractvoorwaarden voorzien mogelijk wat er in zo’n geval moet gebeuren. Weet ook dat u in elk geval een schadebeperkingsplicht hebt, zelfs als de fout voor de laattijdige levering volledig bij uw leverancier ligt. Dat betekent dat u alle redelijke inspanningen moet leveren om uw eigen schade zo veel als mogelijk te beperken.

Waarschijnlijk is de opschorting van het contract in zo’n situatie de meest aangewezen oplossing voor alle partijen. Indien de leverancier tijdelijk niet kan leveren, bent ook u tijdelijk niet gebonden aan uw contractuele verplichtingen. We raden wel aan om de tegenpartij zo snel mogelijk en schriftelijk te informeren van het feit dat u de wederzijdse verplichtingen uit de overeenkomst als opgeschort beschouwt. Geef hierbij zo precies mogelijk aan welke verplichtingen opgeschort zijn (denk bijvoorbeeld aan de verplichting tot betaling of de verplichting om exclusief bij uw leverancier af te nemen). Zo vermijdt u later discussie hieromtrent en heeft u tevens het bewijs van het feit dat u de opschorting hebt aangekondigd.

In bepaalde gevallen kan u het contract beëindigen. Maar wees voorzichtig. In principe is de laattijdige levering een fout van de leverancier. Maar niet elke fout geeft recht op de beëindiging van het contract. Het moet om een ernstige fout gaan. Het is mogelijk dat het contract voorziet in welke gevallen de beëindiging van het contract gevraagd kan worden. Zo kan een contract bijvoorbeeld bepalen dat een (beperkte) vertraging van de levering geen reden kan zijn om het contract te beëindigen. In sommige gevallen zal u zich kunnen beroepen op overmacht (zie verder) om een contract te beëindigen. Wees u ervan bewust dat overmacht wettelijk strikt omkaderd is en dat ook hier contractuele bepalingen over kunnen bestaan.

Houd er ook rekening mee dat voor de beëindiging van het contract mogelijk een specifieke, contractueel bepaalde procedure gevolgd moet worden. In dat geval is de beëindiging slechts geldig indien die procedures werden gerespecteerd.

Afzegging van events

Een event is een contract tussen de organisator en elke deelnemer. De organisator verschaft de deelnemer toegang tot het event. Daarvoor krijgt hij een ticket, in ruil voor een prijs.

Is het mogelijk het event uit te stellen? Dan is dat waarschijnlijk voor alle partijen de beste oplossing. Communiceer daar duidelijk over met de deelnemers, zodat ook zij weten waar ze aan toe zijn.

De regering bepaalt, in een ministerieel besluit het volgende voor culturele, maatschappelijke, festieve, folkloristische, sportieve en recreatieve activiteiten die geen doorgang kunnen vinden door de coronacrisis.

De organisator heeft het recht om aan de houder van een betalend toegangsticket tot die activiteit een tegoedbon ter waarde van het betaalde bedrag te verstrekken in de plaats van een terugbetaling. Deze tegoedbon moet aan bepaalde voorwaarden voldoen, meer bepaald:

  1. dezelfde activiteit wordt op een latere datum georganiseerd op dezelfde of een nabijgelegen locatie;
  2. de activiteit wordt opnieuw georganiseerd binnen het jaar na uitreiking van de tegoedbon;
  3. de tegoedbon vertegenwoordigt de volledige waarde van het bedrag dat voor het oorspronkelijke toegangsbewijs is betaald;
  4. aan de houder van het toegangsbewijs wordt geen enkele kost in rekening gebracht voor het afleveren van de tegoedbon;
  5. de tegoedbon vermeldt uitdrukkelijk dat hij werd afgeleverd als gevolg van de coronacrisis.

De houder van een betalend toegangsticket kan vragen om de terugbetaling (i.p.v. een tegoedbon) indien hij bewijst dat hij verhinderd is om de activiteit op de nieuwe datum bij te wonen.

Is het niet mogelijk om het event uit te stellen, dan moet men op basis van de huidige maatregelen het event afgelasten, met de gevolgen die daaraan verbonden zijn. Ook deze situatie wordt door het ministerieel besluit behandeld.

 

3. Is het coronavirus een geval van overmacht?

De maatregelen die genomen werden in de strijd tegen COVID-19 en de wereldwijde omvang van de gezondheidscrisis zorgen voor heel wat problemen bij de uitvoering van nationale en internationale handelsovereenkomsten: vertragingen, onderbrekingen, heronderhandelingen en annulaties … Die problemen hebben verschillende oorzaken, zoals moeilijkheden met de bevoorrading, import en export, maatregelen die de tijdelijke sluiting van bepaalde bedrijven (handelszaken, restaurants …) opleggen en, in sommige sectoren, economische werkloosheid.

In welke mate rechtvaardigen deze omstandigheden de opschorting en beëindiging van bepaalde contracten? Mogen we deze pandemie en de directe en indirecte gevolgen ervan beschouwen als een geval van overmacht volgens het Belgisch recht?

Ter herinnering: overmacht inroepen maakt het mogelijk om een verplichting op te schorten of een contract te ontbinden.

Drie cumulatieve voorwaarden van overmacht

Om van overmacht te kunnen spreken, moeten drie voorwaarden vervuld zijn: de overmacht moet een gebeurtenis zijn die plaatsvindt nadat het contract gesloten is, ze moet een belemmering zijn voor de uitvoering ervan, en ze moet niet te voorzien, onoverkomelijk en onweerlegbaar zijn.

De gebeurtenis mag niet toe te schrijven zijn aan een van de medecontractanten.

De gebeurtenis mag op geen enkele normale manier te voorzien zijn, dat betekent het volgende:

  • de schuldenaar kon er geen rekening mee houden bij het sluiten van het contract;
  • de schuldenaar was redelijkerwijs niet in staat om de gebeurtenis en de gevolgen ervan te voorkomen of vermijden.

Bovendien moet de gebeurtenis een onoverkoombaar obstakel vormen waardoor de partijen hun verplichtingen niet kunnen nakomen. De gebeurtenis moet dus de uitvoering van de contractuele verplichtingen onmogelijk maken, niet gewoon moeilijker of duurder. Ze moet het de contractuele schuldenaar onmogelijk maken om de verplichtingen in het contract na te komen.

Als die onmogelijkheid tijdelijk is, wordt de verplichting slechts opgeschort, niet tenietgedaan. De schuldenaar zal het contract moeten uitvoeren eens de belemmering verdwenen is, voor zover de uitvoering op dat moment nog nuttig is.

Als de belemmering definitief is, of de uitvoering van het contract definitief onmogelijk maakt, wordt het contract ontbonden.

Overmacht is een bevrijdende oorzaak voor de schuldenaar. Door overmacht kan de contracterende partij niet verantwoordelijk gesteld worden voor contractbreuk. Niemand is immers aan het onmogelijke gehouden.

Het is belangrijk om te weten dat het coronavirus op zich geen overmacht is, voor zover het de uitvoering van contracten niet onmogelijk maakt.

De beslissingen van de regering (ministeriële besluiten van 16 en 23 maart 2020), kunnen daarentegen wel beschouwd worden als overmacht.

Men kan zich dus afvragen of de verplichting tot sluiting van bepaalde bedrijven opgelegd door die twee besluiten kan worden beschouwd als een ‘fait du prince’ dat de uitvoering van eerder gesloten contracten onmogelijk maakt. Het ‘fait du prince’ is één van de overmacht-scenario’s, aangezien het obstakel voor de uitvoering van het contract het gevolg is van een beslissing van een overheidsinstantie. De onmogelijkheid van uitvoering kan worden begrepen als een fysieke onmogelijkheid, maar ook als een juridische onmogelijkheid (opleggen van tijdelijke sluiting) en moet worden geïnterpreteerd rekening houdend met de context en de levensomstandigheden (algemene afzondering).

Als de uitvoering van het contract echter alleen duurder of moeilijker wordt gemaakt, kan de schuldenaar niet worden vrijgesteld van zijn verbintenissen. In principe worden financiële of andere moeilijkheden die de uitvoering van een akkoord duurder of moeilijker maar niet onmogelijk maken, niet aanvaard als een geval van overmacht.

Wat zijn de gevolgen van overmacht?

Als de niet-verschenen partij bewijst dat de situatie voldoet aan alle voorwaarden voor overmacht, kan ze de uitvoering van haar eigen contractuele verplichtingen opschorten tijdens de uur van de gebeurtenis die aan de basis ligt van overmacht, zonder dat ze de medecontractant een schadevergoeding schuldig is.

Als wordt aangetoond dat de gebeurtenis van overmacht de uitvoering van de niet-verschenen partij definitief onmogelijk maakt, of dat de andere contractant helemaal geen belang meer heeft bij de uitvoering van het contract, dan wordt de niet-verschenen partij volledig en definitief vrijgesteld van haar verplichtingen.

Dat resulteert uit artikels 1147 en 1148 van het Burgerlijk wetboek.

Art. 1147. De schuldenaar wordt, indien daartoe grond bestaat, veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, hetzij wegens niet uitvoering van de verbintenis, hetzij wegens vertraging in de uitvoering, wanneer hij niet bewijst dat het niet nakomen het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend, en hoewel er zijnerzijds geen kwade trouw is.

Art. 1148. Geen schadevergoeding is verschuldigd, wanneer de schuldenaar door overmacht of toeval verhinderd is geworden datgene te geven of te doen waartoe hij verbonden was, of datgene gedaan heeft wat hem verboden was.

Wat als er geen overmacht kan worden ingeroepen?

Bij ontstentenis van contractuele bepalingen, kunnen de gevolgen van COVID-19 die de uitvoering van het contract niet (volledig) onmogelijk maken – en dus geen overmacht zijn – niet worden beschouwd als redenen voor opschorting of ontbinding van het contract zonder het akkoord van de partijen.

 

4. Persoonsgegevens en privacy in het kader van COVID-19 

Ondernemingen en werkgevers hebben een reeks preventieve maatregelen genomen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Er rijzen tal van vragen over de voorwaarden waaronder persoonsgegevens – in het bijzonder de gezondheidsgegevens – in deze context mogen worden verwerkt.

Gegevens over de gezondheid van een persoon zijn gevoelige persoonsgegevens. Wanneer ze verwerkt worden, is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (de AVG of GDPR) van toepassing. Het VBO raadt aan om het advies van de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit op te volgen. Die geeft advies om het evenwicht tussen de bescherming van privacy en van de volksgezondheid te bewaren. Meer info

 

5. Continuïteit van de werking van de ondernemingsorganen

Het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) juicht de publicatie toe van het koninklijk besluit nr. 4 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake mede-eigendom en vennootschaps- en verenigingsrecht, in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie. Dat koninklijk besluit voorziet in uitzonderingsmaatregelen, van beperkte duur (van 1 maart tot en met 3 mei 2020), om te garanderen dat de bestuursorganen van vennootschappen, verenigingen en andere rechtspersonen naar behoren kunnen blijven werken.

Door de coronapandemie die momenteel volop woedt, werden vennootschappen en verenigingen  geconfronteerd met een reeks praktische moeilijkheden om die vergaderingen volgens de wettelijke regels te houden, zonder de dwingende regels in de strijd tegen de Covid-19 pandemie te overtreden. Om dit probleem te verhelpen, nam minister Geens het initiatief om een aantal versoepelingen in te voeren die de rechtspersonen de nodige flexibiliteit geven, zonder de rechten van de aandeelhouders uit het oog te verliezen. Rechtspersonen krijgen de keuze om hun reeds bijeengeroepen of vóór 3 mei bijeen te roepen algemene vergadering gewoon te laten doorgaan op de geplande datum, weliswaar langs elektronische of schriftelijke weg, en met handhaving van het stem- en vragenrecht van de aandeelhouders en leden.

Ze kunnen hun algemene vergadering, of die nu al bijeengeroepen is of niet, ook uitstellen naar latere datum (tot 10 weken na de uiterste datum die, in de meeste gevallen, is vastgelegd op 30 juni). Die optie hangt samen met het verlengen van een reeks wettelijke termijnen voor indiening van de officiële stukken. Tot slot wordt nog verduidelijkt dat vergaderingen van het bestuursorgaan geldig schriftelijk of langs elektronische weg gehouden kunnen worden.

Met dit document wil het Verbond van Belgische Ondernemingen u de weg wijzen doorheen koninklijk besluit 4 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake mede-eigendom en vennootschaps- en verenigingsrecht, in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie. 

 

6. Mededigingsrecht

Hoe zal Europa omgaan met de economische maatregelen die door de lidstaten aangekondigd worden om de door de crisis getroffen sectoren ter hulp te schieten? Meer info in het VBO-artikel Mededigingsrecht of toenaderingsplicht?

 

 

Onze partners

Actiedomeinen

Een gezond ondernemingsklimaat is essentieel voor een gezonde economie en duurzame groei in België. Als VBO nemen we de verantwoordelijkheid om de motor van onze welvaartsstaat op kruissnelheid te houden. Om dat te bereiken, focussen we op 18 actiedomeinen die bijdragen tot een duurzame groei.


VBO-NIEUWSBRIEF IMPACT

Schrijf u nu in en ontvang wekelijks de laatste artikelen direct in uw mailbox.